Hiddema, minister van Justitie & democratie (9.3.10)


Wordt Hiddema de nieuwe minister van Justitie?
In DWDD noemde hij Wilders is zegen, die de hypocrisie ontmaskert. En Wilders is volgens hem een democraat pur sang. DWDD vond het allemaal prima.
Maar wat is er nu democratisch aan een pleidooi voor een verbod van de Koran? Zelfs Ellian krijgt dit idee van Wilders maar niet doorgeslikt. En wat is er democratisch aan het opleggen van kledingvoorschriften aan mensen die in gesubsidieerde instellingen werken? En is het democratisch om daarbij een onderscheid te maken tussen christelijke en joodse uitingsvormen (toegestaan, want die passen bij onze cultuur) en islamitische uitingsvormen (niet toegestaan, want die passen niet bij onze cultuur)?
Kennelijk verschilt mijn definitie van ‘democratisch’ met die van Hiddema.

2 reacties:

jhaw zei

‘En is het democratisch om daarbij een onderscheid te maken tussen christelijke en joodse uitingsvormen (toegestaan, want die passen bij onze cultuur) en islamitische uitingsvormen (niet toegestaan, want die passen niet bij onze cultuur)?’

Ik denk dat joden door de geschiedenis heen wel een erg hoge prijs hebben moeten betalen om nu eindelijk deel uit te mogen maken van de ‘joods-christelijke-humanistische’ cultuur waarin wij leven. Nu is het in het wereldbeeld van Wilders blijkbaar tijd voor de moslims om te betalen.

Zouden Wilders en gelijkgestemden werkelijk weten wat er joods, christelijk of humanistisch is aan onze cultuur? (Afgezien van de vraag of dit wel een juiste omschrijving van onze cultuur is.)

Ron Ritzen zei

Helemaal mee eens.
In dit verband is ook de kritiek van prof. W. van den Doel op Ella Vogelaar destijds (VK, 18 juli 2007). Zijn stelling: Nederland kent niet een 'joods-christelijke traditie' sedert de komst van joodse migranten. “Alsof er eerst een 'christelijke traditie' was en vervolgens een 'joods-christelijke traditie'. Na de Tweede Wereldoorlog deed het begrip 'joods-christelijke traditie' zijn intrede, om aan te geven dat het christendom in het jodendom wortelde, en dat na Auschwitz de tegenstellingen overwonnen dienden te worden.”
Het hele begrip 'joods-christelijke traditie' is volgens hem problematisch. “Zij die het hanteren proberen ermee te zeggen dat onze waarden en normen een (exclusief) joods-christelijke achtergrond kennen. Dat is evident onjuist, omdat we evenzeer op de schouders staan van Griekse filosofen en Romeinse juristen uit de oudheid, en Verlichtingsdenkers uit een recenter verleden. Vooral de laatsten hebben voor een belangrijk deel onze wijze van samenleven bepaald. De rechtstreekse invloed van het jodendom op onze waarden en normen is in vergelijking daarmee te verwaarlozen. Terecht sprak de Europese Grondwet over 'de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa' en niet over de 'joods-christelijke traditie'. Belangrijk waren echter ook de woorden even verderop. Die tradities lagen ten grondslag aan de ontwikkeling van 'de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat'.”