Vrijheid van godsdienst (22.6.10)

De Raad van State adviseerde onlangs om het verbod op godslastering te handhaven. Aanleiding tot dit advies was het voorstel van Fred Teeven (VVD), Boris van der Ham (d66) en Jan de Wit (SP) om dit artikel uit het Wetboek van Strafrecht willen schrappen.

“Een merkwaardig advies”, zo meldt de Dagelijkse Standaard, “dat er eigenlijk op neerkomt dat schrappen onverstandig is indien men de lieve vrede wil bewaren.”

“Wat mij echter nog het meest opviel, is dat de Raad de vrijheid van godsdienst als een positief recht ziet. Dat betekent dat de staat zich niet alleen moet onthouden van enige actie die de vrijheid van godsdienst zou kunnen belemmeren, maar dat de staat zelfs een verplichting heeft om actief te handelen opdat mensen in vrijheid hun godsdienst kunnen belijden. In de woorden van de Raad:

De Raad stelt (…) dat in het recht op vrijheid van godsdienst als vrijwaringsrecht ten opzichte van de overheid ook een positieve verplichting voor de overheid besloten ligt het genot van deze vrijheid tot op zekere hoogte te waarborgen (…).

In de Dagelijkse Standaard - bij monde van Sven - wordt de volgende conclusie getrokken: “De overheid moet religie dus stimuleren.”

Analyse. Deze conclusie volgt niet uit het aangehaalde citaat. Het waarborgen van een recht is iets anders dan het stimuleren van het object van dat recht. Het standpunt van de Raad van State wordt dan ook vertekend met deze weergave.