Heertje vs. de Hoge Raad (8.7.10)

Prof. Heertje gaat in rtl.z te keer tegen de directeur van de vrijwilligersvereniging SVN, die zichzelf een vorstelijk salaris had: 160.000 euro. Deze club ontvangt jaarlijks 90 miljoen euro subsidie van de overheid en houdt zich bezig met armoedebestrijding (ik verzin dit niet). Heertje: “Elsen is in de Nederlandse samenleving niet de enige die opvalt door wanstaltig en sociaal stupide gedrag, dat buiten het gezichtsveld van de strafrechter valt. Ad Bos die in Nederland de bouwfraude heeft blootgelegd en daarbij grote persoonlijke risico’s heeft genomen, wordt nu als verdachte vervolgd dankzij enkele kortzichtig en inhumaan denkende juristen uit de Hoge raad, maar mensen zoals Elsen lopen in Nederland vrij rond, zij het in streepjespak.”

Analyse. Wat opvalt in de column van Heertje is dat hij niet eens meer de moeite doet om een standpunt van een tegenstander te verwoorden. De eis dat Bos alsnog moet worden vervolgd, is te wijten aan kortzichtig en inhumaan denkende juristen. En daar kan de lezer het mee doen.


Even buiten het kader van deze site. Wat stelde de Hoge Raad? Deze was het niet eens met het oordeel van het hof, dat oordeelde dat Bos mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd: “de communicatie tussen het openbaar ministerie en de verdachte geeft daarvoor onvoldoende steun.”
Het hof oordeelde ook dat inbreuk is gemaakt op het zwijgrecht van de verdachte. De Hoge Raad was het ook op dit punt niet eens met het hof: “Uit de stukken volgt niet dat B. al veel eerder als verdachte was aangemerkt, zodat het openbaar ministerie B niet al (veel) eerder als verdachte op zijn zwijgrecht had moeten wijzen.”
Uit het bovenstaande volgt mede dat niet gezegd kan worden dat B. “lang aan het lijntje is gehouden” zonder hem duidelijkheid te geven over zijn rechtpositie. De Hoge Raad concludeerde dan ook dat Bos opnieuw in hoger beroep zal moeten terechtstaan.

Het oriënterende gesprek met Bos en het OM levert het volgende beeld op. Bos beschikte blijkbaar over een omvangrijke administratie die de vastlegging zou bevatten van verrekeningen tussen aannemers in de wegenbouw krachtens onderlinge afspraken. Die administratie was zonder toelichting en nadere aanvulling door Bos niet voldoende toegankelijk om als bewijsmateriaal te kunnen dienen. Zijn medewerking was dus onontbeerlijk. Wel was duidelijk dat de omvang van het financiële nadeel dat door de overheid was geleden, zeer omvangrijk zou kunnen zijn.

Bos wilde slechts medewerking verlenen aan het onderzoek tegen een aanmerkelijke financiële vergoeding als compensatie voor de geleden en de te lijden inkomensderving. Hij zag zichzelf als getuige optreden. Als niet tot in zijn ogen bevredigende financiële afspraken zou worden gekomen, zou hij niet meewerken en gaf hij te kennen dat hij het bewijsmateriaal mogelijk zou vernietigen.

Bos beweerde dat er sprake was van corruptie. Hij zou namen van ambtenaren kunnen noemen en aanwijzingen voor het bewijs kunnen leveren. Hij had tot dan toe nog geen enkele inhoudelijke aanwijzing gegeven die tot begrip zou kunnen leiden met betrekking tot de aangeboden administratie. Hij noemde ook nog geen namen van betrokkenen. Bos sloot niet uit dat hij zelf betrokken was geweest bij de dubieuze praktijken en dat anderen daarover iets zouden zeggen.