Bestaat de vrije wil? Herman Philipse vs. Victor Lamme


Vanavond, 6 december dus, kon men uit vrije wil, voorzover die al bestaat, een heerlijk debat volgen tussen twee retorische grootheden. Spui25 had de hersenonderzoeker Victor Lamme en filosoof Herman Philipse uitgenodigd om onder de bezielde leiding van de erudiete logicus Johan van Benthem van gedachten te wisselen over de vraag of onze hersenen logisch denken. Het leverde niet alleen een interessant en bijzonder humoristisch debat op over ‘de vrije wil’, maar liet ook een aardige confrontatie zien tussen een wetenschapper en een filosoof.
Lamme bestreed de idee dat er zoiets als een vrije wil bestaat. Deze gedachte ventileerde hij eerder in zijn boek ‘De vrije wil bestaat niet’, dat enkele maanden geleden is verschenen. Aan de hand van een aantal smakelijke experimentjes liet hij zien dat mensen weliswaar menen dat ze uit vrije wil beslissingen nemen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat een volstrekte illusie te zijn. Een voorbeeld. Als Amerikanen moeten aangeven welke colasmaak (Coca Cola, Pepsi en Shopper Cola) ze het lekkerst vinden, dan blijkt hun voorkeur wordt bepaald door een verhaal dat ze voorafgaande aan hun proeftest hebben gehoord. Als proefpersonen eerst een verhaal horen over 9/11, dan vinden ze Coca Cola het lekkerst. Die cola is het meest Amerikaans en 9/11 roept bij veel Amerikanen patriotische gevoelens op. Als de proefpersonen een verhaal over Antrax hadden gehoord, vonden ze Pepsi het lekkerst. De verklaring is dan dat het giftige Antrax door een Amerikaanse burger was verstuurd en niet door buitenlanders. Saillant detail: in alle flesjes zat de cola van het merk Shopper.
Philipse was niet erg onder de indruk van Lammes verklaring. Mensen worden in dit soort experimenten op het verkeerde been gezet. Het onderscheid tussen Coca Cola en Pepsi qua smaak is al erg klein en bovendien werd hen wijsgemaakt dat er verschillende smaakjes in de drie flesjes zitten. En dat is het manco met veel van dit soort onderzoek: het zijn relatief eenvoudige experimentjes en onderzoekers menen ten onrechte dat hiermee al het volledige menselijke handelen te verklaren valt. Ten onrechte, meende Philipse. “Hier is sprake van een overhaaste generalisatie”. Lamme beschrijft de hersenen van een kikker en hij maakt vervolgens een reusachtige sprong naar de menselijke hersenen. Die sprong legitimeerde Lamme onder de verwijzing naar “in-essentie-gebeurt-er-bij-mensen-niets-anders” dan in de hersenen van kikkers. Philipse vond echter dat Lamme met die sprong de overkant niet haalde. (Eerder, in 1991, lanceerde Karen van Dam soortgelijke kritiek in haar 'Fixatie op fouten'.)
Lamme was het met dit verwijt op zijn beurt weer niet eens. Het ging niet alleen om experimentjes met eenvoudige denkactiviteiten. In zijn boek gaf hij ook voorbeelden van complexe denkactiviteiten en die experimenten laten in essentie niet veel anders zien: de vrije wil is een illusie. “Als je al de experimentjes bij elkaar optelt, dan houd je niets over wat zou kunnen duiden op een vrije wil.”
Philipse was het niet eens met de wijze waarop Lamme de vrije wil beschreef. Er zijn verschillende niveaus waarop de vrije wil zich manifesteert. Zo het is volstrekt rationeel dat iemand die de ambitie heeft om hoogleraar te worden, eerst promotie-onderzoek doet. En mensen beschikken volgens Philipse over ‘meer of minder’ vrije wil. Hij definieerde de vrije wil als een vermogen (waarover niet iedereen in dezelfde mate beschikt).
Analyse. De discussie over de vrije wil is een van de ‘klassiekers’ in de wijsbegeerte. Het aardige van deze discussie was niet zozeer (of niet alleen) het onderwerp, maar een aardige mix van logica en retoriek.
Toch is er wel iets aan te merken op de argumentaties. Terecht wees Philipse op een verwarring van verklaringsniveaus bij dit soort discussies. “Dat er hersenoorzaken zijn, sluit niet uit dat mensen redenen hebben voor hun gedrag”, stelde Philipse. Hij heeft daarmee een punt: wie een schaakcomputer openschroeft, ziet enkel transistoren en weerstandjes, maar niets wat duidt op ‘schaakgedrag’. Bij menselijke hersenen is dat niet anders. Men kan spanningsverschillen meten, maar je ‘ziet’ geen logisch redeneren in de grijze massa.
De vraag is alleen of Lamme louter een fysisch verklaringsmodel hanteert. Lamme hanteert m.i. daarnaast ook een functionalistisch verklaringsmodel. Het (irrationeel) gedrag dat iemand laat zien, heeft bij hem een fysiologische component, dat zichtbaar wordt in (bijv.) een MRI-scan.
Lamme had daarnaast, vond ik, wel een sterk tegenargument. Elke keer als je onderzoek doet naar het menselijk gedrag, kun je iets wegstrepen uit de logica van dat gedrag. On the long run hou je niets meer over. Maar met een dergelijk argument trek je wel een wissel op de toekomst.
Ook heb ik wat moeite met Philipses verwijt dat Lamme zich schuldig maakt aan overhaaste generalisatie. Er is namelijk wel degelijk onderzoek naar complexe taken en ook uit dat onderzoek blijkt dat irrationeel gedrag dominant is. Als rechters een oordeel moeten vellen over de schuld van een verdachte en daarbij achteraf het dossier lezen, dan meent ongeveer de helft van de rechters dat de verdachte schuldig is. Maar als rechters datzelfde dossier niet na, maar voor de zitting lezen, dan menen alle rechters dat de verdachte schuldig is. Ton Derksen heeft in zijn ‘Het OM in de fout’ haarfijn laten zien welke structurele missers beroepsjuristen maken in het kader van de waarheidsvinding. Het gaat daarbij niet om kleine experimentjes, maar om complexe denkactiviteiten.
Lamme houdt er m.i. wel een vreemde opvatting over ons rechtssyteem op na. Anders dan Lamme beweerde, zijn rechters geen vlezig uitgedorste computers. Rechters passen niet alleen maar regeltjes (dus wetten) toe in een bepaalde case, maar moeten op grond van art. 338 Sv op basis van wettige bewijsmiddelen ook de wettige overtuiging hebben dat de verdachte schuldig is. Een dergelijk systeem nodigt uit tot het maken van fouten, want rechters hoeven feitelijk alleen maar te zoeken naar de bevestiging van hun standpunt. Zegt dit iets over het redeneren van rechters of over het rechtssysteem dat rechters als het ware actief uitnodigt om structureel onlogisch te denken?
Overigens heeft Philipse wel weer een punt als hij wijst op de verschillende niveaus waarop men kan redeneren en ook redeneren. Met name op het niveau van ‘als-dan’-redeneringen zien we voortdurend terug dat mensen goede redenen hebben voor hun handelen. Wie hoogleraar wil worden, moet onder meer gepromoveerd zijn. In zo’n geval ligt aan het schrijven van een proefschrift een goede reden ten grondslag. Over de vraag of de ambitie zelf rationeel is, kan men vervolgens een interessant filosofisch boompje opzetten.
Philipse heeft de bewonderenswaardige eigenschap om complexe zaken in uitermate heldere bewoordingen uiteen te zetten zonder daarbij ook maar op enig moment oppervlakkig te worden. Dat bleek ook deze avond weer. Lamme weet daartegen met een (schijnbaar) achteloze nonchalance en – net als Philipse - met de nodige humor de luisteraar in te palmen.
Kortom, een sterke keuze.