Rinus Otte - een introductie (5.12.10)

Deze week is het Otte-week. De komende dagen ga ik in op de reacties op een boek van hoogleraar en rechter Rinus Otte. Hij schreef een boek, De nieuwe kleren van de rechter, waarin hij zijn ervaringen als manager binnen de rechtbank beschrijft. Zo blijken de verhoudingen tussen strafrechters en hun collega's in de leiding ernstig verstoord; de werksfeer is slecht; de omgangsvormen lijken de laatste jaren “rauwer en minder omfloerst” geworden. De gevolgen zijn niet mis. Door de gebrekkige organisatie loopt een hoog percentage strafzittingen vertraging op door gebrekkige organisatie. Bovendien worden afspraken over de behandeling en de duur van strafzaken niet gehaald.

In het NRC (18 november 2010) en de Volkskrant (2 december 2010) werden enkele passages uit ‘De nieuwe kleren van de rechter’ aangehaald:

“Ik ontmoet rechter Evers die volgens de meeste van haar collega's een van de grootste lastpakken is die er ooit gewerkt heeft. Als er geen conflict was, dan verwekte ze wel een crisis. Ze ratelt zoveel dat ik haar nauwelijks bij kan houden. Er worden volgens haar veel rechters aangenomen die de techniek niet goed beheersen.”

(…) “De gezondheid van rechter Lauwers is gesloopt, volgens mij mede dankzij kwaadaardige collega's die hem zijn promotie tot vicepresident niet gunden. Waren er maar meer rechters als hij in deze wereld.” (…) “Rechter Goederee is een aardige, wat verbeten man bij wie ik me soms afvroeg of hij wel goed zicht op de werkelijkheid heeft, vooral of hij enig relativeringsvermogen bezit. Hij trekt voortdurend ten strijde tegen alles wat hij als het volgende grote onrecht ziet.

Rechter Alberts oordeelt scherp over zijn collega's. Hij vindt een voortdurend opstandige vrouwelijke collega een lichtgewicht, een storende voetzoeker die alleen maar schreeuwt. Maar als het er op aankomt om tegen haar fulminerende gedrag op te komen, bekent hij bang te zijn dat ze hem vervolgens zal kapotmaken.”

Over lege kamers in de rechtbank: “In mijn jaren als bestuurder waren er nogal wat rechters die zich ophielden in het nabijgelegen café om zich druk te maken en te beklagen over de organisatie. De kamers stonden vaak leeg. Men werkte kennelijk thuis, maar als ik veel rechters zag komen en gaan, was het meestal niet met koffers vol dossiers.”

Over eigen belangen: “Zo vond en vind ik dat rechters zich naar willekeur, vooral als hun eigen belangen op het spel staan, op hun onafhankelijkheid en het zijn van derde staatsmacht beroepen."

Over de werklastnorm: “Welk besturingsmodel er ook wordt gekozen, uiteindelijk is het [...] zo dat er maar een paar rechters zijn die boven hun werklastnorm werken en dat de meerderheid altijd vindt dat ze het zo moeilijk heeft met het toebedeelde werk."

Over de snoepwinkel: "Veel rechters zijn sinds 2007 vicepresident geworden omdat in het kader van een landelijke loonsverhoging het aantal vicepresidenten is opgehoogd tot 50 procent van het totale aantal rechters. [...] Veel benoemingen hebben verbijstering gewekt. In plaats van dat de gerechtsbesturen wachten met het openstellen van [...] vacatures totdat er een geschikte kandidaat was, leken zij op het kind bij wie het spaargeld in de zak brandt om het in de snoepwinkel te kunnen uitgeven. Veel gerechtsbesturen hebben het maximale aantal vacatures opengesteld als een cadeautje aan de eigen medewerkers, maar beschikten niet over het geschikte rechtersbestand.”

Over bastions in de rechtbank: “De meeste gerechten vormen een soort bastion dat niet of nauwelijks overlegt met andere bastions in de regio. Bestuurlijk en managementoverleg is er wel, maar juridisch overleg is er nauwelijks. [...] Ik meen dat de individuele rechter voor de gezagserosie een zekere verantwoordelijkheid kan nemen door vaker met andere rechters contact op te nemen, desnoods buiten het arrest of de samenstelling van de uitspraak om, enige uitleg te geven. Het verloren gezag van de appèlrechtspraak heeft veel te maken met het geïsoleerde optreden van de gerechtshoven.”