Rinus Otte vs. Cees Fasseur (6.12.10)

Dat de kritiek van Rinus Otte bij zijn collega’s niet in goede aarde viel, was te verwachten. Eén van de reacties kwam van de hand van zijn collega Cees Fasseur, die in de periode 2001-2007 als raadsheer verbonden was aan het Amsterdamse hof. Otte coördineerde toen de strafrechtssector die uit een dertiental strafkamers bestond.

Fasseur heeft hem “leren waarderen als een hardwerkend manager” (NRC, 4 december 2010). Die opmerking maakt ruim baan voor een opsomming van Ottes tekortkoming. Zijn “grote tekortkoming was dat hij niet in staat bleek een goed contact met 'de werkvloer', met kamervoorzitters en raadsheren, te onderhouden. Hij zat altijd achter zijn bureau of in vergadering, voor zover hij niet als alleensprekend rechter zittingen (in eenvoudige zaken) deed. Hij kende zijn collega-raadsheren niet of nauwelijks, zocht ze niet op en leek ook niet in hen geïnteresseerd.”

Otte bakte er niet veel van, schrijft Fasseur. “Maatregelen ter bevordering van doelmatigheid wekten weerstand omdat ze soms averechts uitpakten. Zo werd de begintijd van strafzittingen van half tien naar negen uur vervroegd. Het gevolg was dat zo'n eerste ochtendzaak veelal moest worden aangehouden of met vertraging begon, omdat de gedetineerde niet tijdig was aangevoerd dan wel de advocaat niet op tijd was vanwege fileproblemen, dit tot ergernis van de (vaak ook van buiten Amsterdam gekomen) raadsheren. Een andere maatregel was de afschaffing van het abonnement op de goed functionerende bodedienst voor leden van het hof met domicilie buiten de hoofdstad. Dat spaarde enkele tienduizenden euro's per jaar uit. Het siert Otte dat hij in zijn boek volmondig toegeeft dat dit besluit een misslag was. Maar het kwaad was geschied. De tassen met dossiers dienden voortaan op het te hof worden ingezien. Ook de bestudering van de dossiers in het weekeinde werd daarmee onmogelijk (de werkweek van de rechter bestaat uit zeven dagen). Zo was mr. Otte, bij al zijn goede bedoelingen en ijver, een ramp voor zijn omgeving, hetgeen uiteindelijk tot zijn val bij het Amsterdamse hof heeft geleid.”

Analyse. Twee zaken vallen op. Het eerste is de retoriek. Eerst begint Fasseur met een compliment, die in de context van deze brief bij nadere beschouwing geen compliment is. Otte, zo stelt Fasseur, is een hardwerkende en ijverige manager. De boodschap is dan helder: van de kant van Fasseur is geen sprake van kinnesinne. Maar, zo blijkt uit het verdere betoog, Otte is een amateur die er niet veel van bakt: hij was niet in staat bleek een goed contact met ‘de werkvloer’ te onderhouden; hij zat altijd achter zijn bureau of hij was in vergadering; hij kende zijn collega-raadsheren niet of nauwelijks; en leek ook niet in hen geïnteresseerd.

Ook de vileine opmerking dat Otte alleen “eenvoudige zaken” deed, moet de lezer vooral duidelijk maken dat Otte zichzelf weliswaar rechter mag noemen, maar desalniettemin toch geen ‘echte’ rechter is. Retorisch gezien is dat een belangrijk punt, omdat men kritiek ‘van buiten’ altijd kan wegwuiven met een ‘x-weet-niet-waar-hij-over-praat’-argument. In het geval van Otte is dat natuurlijk wat lastiger en daarom is het punt van ‘eenvoudige zaken’ en ‘geen contact met de werkvloer’ van belang.

Dan het tweede punt: de argumentatie. Het betoog van Fasseur is behoorlijk onder de gordel. Want zelfs als Fasseurs weergave over Ottes (on)kundigheden klopt, dan nog zegt dat niets over Ottes inhoudelijke betoog. Dan nog kan hij gewoon gelijk hebben.

De vraag is overigens wat Fasseur onder ‘onkunde’ verstaat. Hij gaf het volgende voorbeeld: Otte liet zittingen niet om half tien, maar om negen uur beginnen. Heel erg vervelend voor advocaten en raadsheren die van buiten Amsterdam komen, meent Fasseur. Ook gedetineerden worden niet op tijd aangevoerd. Kortom, slechte zaak.

Maar wat wordt hier eigenlijk bewezen? Ottes onkunde? Of dat beroepsgroepen hun privileges niet wensen op te geven? (Terzijde: ook in het onderwijs kan men aanvoeren dat fileproblemen en te laat komende leerlingen niet wenselijk zijn en dat daarom de lessen niet om half negen, maar om half tien moeten begonnen. Tsja.)