Rinus Otte vs. Leendert Verheij (10.12.10)

Ook de president van het Amsterdamse hof, Leendert Verheij, mengde zich in de Otte-gate. Otte was tussen 2005 en 2008 bestuurslid van dat hof en vertrok met een enorm conflict. “Dat conflict is destijds niet naar buiten gebracht en dat wil men nog steeds niet”, stelt Verheij.

Hij maakte in 2008 de naweeën van het conflict mee. Verheij, zo kunnen we in het NRC (2 december 2010) lezen, meent dat Otte in zijn boek zelf niet de deemoed laat zien die hij predikt.

Bovendien zou veel van diens ervaringen “makkelijk te falsifiëren” zijn. Veel feiten zouden niet correct zijn weergegeven. Zo is er volgens Verheij het verwijt van luiheid volstrekt onterecht. In 2009 heeft het hof 28 megastrafzaken afgedaan. Een record, volgens Verheij, “en dat lukt nooit met luie en ijdele mensen”.

Maar laten we eens kijken naar de feiten:

- De strafsector zit nog steeds in de rode cijfers (Verheij: dat komt omdat de gemiddelde zwaarte van de Amsterdamse strafzaken hoger is dan elders. Daar is de financieringssystematiek niet op berekend “en dat wordt ook erkend”.)

- De straf- en belastingzaken duren te lang. Volgens Otte is er bij de hoven sprake van een “verslechterende trend”. Dat blijkt ook uit het jaarverslag van de Rechtspraak 2009. In drie grote sectoren blijven de prestaties van alle vijf gerechtshoven niet alleen achter, maar lopen ze verder terug (zo kunnen we in het NRC lezen). De gerechtshoven Den Bosch en Amsterdam hebben ook financiële tekorten.

- “Bij de meervoudig behandelde strafzaken is de norm dat 85 procent binnen negen maanden afgehandeld moet zijn. De werkelijkheid in 2008 was 74 procent. Dat liep in 2009 terug naar 67 procent. Bij enkelvoudige strafzaken verslechterden de (matige) prestaties in die jaren van 59 naar 44 procent. Bij de eenvoudige strafzaken in appèl liep het niveau terug van 64 procent in 2008 naar 55 procent in 2009. In beide categorieën is de norm 90 procent binnen zes maanden. Over voorlopige hechtenis moeten raadkamers in 95 procent van de zaken binnen twee weken kunnen beslissen. Dat lukte in 2008 in slechts 50 procent van de zaken. En dat verslechterde in 2009 naar 45 procent. Bij de ‘overige’ raadkamerzaken moet 85 procent binnen 4 maanden worden behandeld. Daar was vooruitgang. In 2008 lukte dat in slechts 32 procent van de gevallen. In 2009 verbeterde dat naar 61 procent.

- Bij de belastingsectoren is het beeld dramatisch. Daar is de norm dat 85 procent binnen een jaar moet zijn afgehandeld. In 2008 bleef dat steken op 33 procent van de zaken - en op 30 procent in 2009.

- In de familiesector gaat het beter. 90 procent moet er binnen een jaar zijn afgehandeld. In 2007 werd die norm ruim gehaald. Sindsdien verslechterde dat licht van 88 naar 87 procent.” (Gegevens: NRC, 2 december 2010).

Kortom, de voorstelling van zaken door Verheij behoeft toch een duidelijke nuancering. Over de hele linie zien we een neergaande lijn.