Moszkowicz, Galilei & Wilders

Moszkowicz zei in zijn pleidooi in de zaak-Wilders dat de PVV'er zich spiegelt aan Galileo Galilei, die in de 17e eeuw met de heersende religieuze opvatting botste door te beweren dat de zon en niet de Aarde het middelpunt van het zonnestelsel was. Galilei was, net als Wilders, een dissident.

Geen handige vergelijking. De historicus Biagioli liet in 1993 in zijn boek Galileo Courtier. The Practice of Science in the Culture of Absolutism een andere Galilei zien dan de heroïsche en compromisloze strijder voor wetenschappelijke waarheid, namelijk de intelligente berekenende wetenschapper die vaak zeer nauwkeurig wist waar hij wat precies moest zeggen.

Toen Galilei in 1609 de beste telescoop tot dan toe construeerde, betekende dit een enorme vooruitgang in de wetenschap. Met zijn telescoop ontdekte de vijfenveertigjarige professor in de wiskunde dat het maanoppervlak reliëf vertoonde en dat de Melkweg uit een heuse zee van sterren bestond. Verder ontdekte hij de schijngestalten van Venus en de vier manen van Jupiter. Daarmee legde hij de grondslag voor een nieuwe kosmologie die volledig indruiste tegen de in die tijd gangbare aristoteliaanse kosmologie.

In 1610 legde Galilei zijn ontdekking vast in de Siderius Nuncius, die hij opdroeg aan de groothertog van Toscane, Cosimo II de Medici. Die opdracht was niet toevallig: het was een doelgerichte en uitstekend getimede poging om via de Toscaanse groothertog zijn opvatting meer status te verlenen. De roem van De Medici stond immers borg voor succes. De opzet slaagde, want een jaar later mocht Galilei zichzelf Florentijns hoffilosoof en wiskundige noemen.

De vraag is waarom Galilei de universiteit van Padua verliet? Die universiteit stond zeker niet slecht aangeschreven. Biagioli meent dat Galilei’s zucht naar intellectuele erkenning hem naar het hof van De Medici dreef. Aan de universiteit overheerste het aristotelisme, “dat van een natuurstudie met behulp van instrumenten per definitie niets wilde weten. Toegepaste wiskunde als astronomie, optica of mechanica stond er in de hiërarchie ver beneden theologie en filosofie. Wilde Galilei serieus genomen worden, dan moest hij filosoof worden. De benoeming te Florence maakte het de Aristotelianen onmogelijk zijn opvattingen te negeren”, aldus de wetenschapsjournalist Van Delft. Zijn benoeming aan het hof had overigens ook schaduwzijden. In disputen werd de hoffilosoof geacht snel een standpunt in te nemen, want de eer van zijn beschermheer stond op het spel. De vraag of een standpunt wetenschappelijk verantwoord was, bleek van secundair belang. Dialogen waren meer in trek dan verhandelingen; geestige antwoorden hadden de voorkeur boven technische. Ook was Galilei niet vrij om al zijn standpunten onder de aandacht te brengen. Met name zijn opvatting over het copernicanisme waren veel te controversieel. Het hof van De Medici was, gezien de opstelling van de kerk, geenszins van plan om zijn vingers aan dit onderwerp te branden. Via het Medici-netwerk poogde Galilei ook de paus, immers de machtigste beschermheer, voor zich te winnen. In eerste instantie leek Galilei’s strategie succesvol. In 1611 kreeg hij aan de jezuietenuniversiteit een warm onthaal, maar in 1616 verbood de congregatie van de Index hem de leer van Copernicus te verdedigen. Toen kardinaal Barberini, een vriend van Galilei, tot Paus Urbanus VIII werd gekozen, leek Galilei’s tactiek alsnog te slagen. Maar met het verschijnen van Dialogo bleek Galilei zijn manoeuvreerruimte te optimistisch te hebben ingeschat. In dit boek, dat in 1632 verscheen, vergeleek hij de stelsels van Copernicus met die van Ptolemeus, waarbij hij ondanks de ban van 1616 onverbloemd koos ten gunste van de opvattingen van Copernicus. Ook het feit dat Galilei het denkbeeld van de Goddelijke almacht door de minst snuggere figurant uit het boek liet verdedigen, viel bij Urbanus zeer slecht. In 1633 was het dan ook zover: Galilei werd beschuldigd van ketterij en moest in het openbaar het Copernicanisme afzweren.

Het cliché dat Moszkowicz dat aanhaalt, klopt eenvoudigweg niet.

Twee citaten van de dag over het publieke debat

(foto: Ron Ritzen)

"Verdachtmaking is helaas de norm. Wie het niet met feitelijkheden af kan, richt zich op de vermeende geheime agenda’s van de tegenstander of gaat verkrampt op zoek naar trauma’s of persoonlijkheidstoornissen bij de opponent." Door Yoeri Albrecht en Eddy Terstall (Vk, 6 oktober 2010).
In hun stuk hebben ze met name het islamdebat op het oog. Vanuit de optiek van deze site, de informele logica, hebben zij gelijk. Voor deze site zijn al die verdachtmakingen natuurlijk interessant, maar voor het debat dodelijk.
*
Het andere citaat is afkomstig van Macro Swart, een advocaat in Eindhoven. Naar aanleiding van het zwijgen van Wilders op de eerste dag van strafproces merkte rechter Moors op dat Wilders de discussie uit de weg gaat. Swart: "Daarmee raakt de rechter de kernvraag waar het bij vrijheid van meningsuiting om dient te gaan. Degene die gebruik maakt van zijn recht om zijn mening te uiten, heeft tegelijkertijd de plicht hiermee verantwoord om te gaan. Welke zin heeft het om een mening te uiten als het verlangen naar een debat erover vervolgens categorisch wordt ontlopen?" (Vk, 6 okt. 2010). In mijn binnenkort te verschijnen boek over het publieke debat staat Swarts stelling min of meer centraal. Ik wil daarbij nog een stap verder gaan: de vrijheid van meningsuiting wordt nu te vaak ingevuld op een wijze waardoor de vrijheid van meningsuiting van anderen wordt geblokkeerd. Daar zit m.i. een logische contradictie.
*