De kwestie AEL (23.12.2010)

Een aantal maanden geleden, september 2010, was het hoge woord bij het OM er uit: Gregorius Nekschot zou niet worden vervolgd. Zijn cartoons en teksten waren dan wel strafbaar, maar het OM besloot Nekschot niet te vervolgen, omdat hij na zijn aanhouding een dag en een nacht in voorlopige hechtenis had gezeten, de strafbare cartoons niet meer online stonden, de aangifte vijf jaar oud was en er geen nieuwe aangiften bij het OM waren binnengekomen.
Wilders, zo bleek een maand eerder, werd evenmin vervolgd voor het plaatsen van de Deense spotprenten over de profeet Mohammed op de PVV-site. Die cartoons, zo stelde het OM, waren niet strafbaar. Ze gingen over de profeet Mohammed, maar er wordt niets mee gezegd over de groep moslims. Geen enkele cartoon was beledigend voor moslims of zette aan tot haat tegen, discriminatie van of geweld tegen moslims. ‘Dus is ook het publiceren en verspreiden hiervan niet strafbaar’, aldus het OM.
Toch kan niet alles. AEL-woordvoerder Bouzerda werd bijvoorbeeld wel vervolgd vanwege een spotprent, waarin de Holocaust werd ontkend. Dat leidde augustus 2010 tot een veroordeling: hij moest € 2.500 betalen waarvan € 1500 voorwaardelijk. Eerder sprak de rechtbank hem vrij, maar het gerechtshof Arnhem vond dat de cartoon wel degelijk onnodig grievend en bovendien beledigend was. De vrijheid van meningsuiting is ook in de ogen van het hof erg belangrijk, maar het ontkennen of bagatelliseren van de Holocaust is toch echt een stap te ver. Bouzerda stelde op zijn beurt dat hij de dubbele moraal over uitingsdelicten aan de orde wilde stellen, maar het hof vond het middel, een spotprent, een stap te ver gaan om het ‘door verdachte beoogde doel’ te bereiken . Dat doel, zo stelde het hof verder, had ook op vele andere wijzen kunnen worden bereikt.
Stille Jansen, directrice Meldpunt Discriminatie Internet vond het wonderlijk dat deze ‘inperking’ van de vrijheid onbesproken bleef. ‘Waar in andere gevallen, zoals in de zaak tegen cartoonist Gregorius Nekschot de zelfbenoemde strijders voor de vrijheid van meningsuiting op de barricades staan, gaf bij de veroordeling van de AEL niemand een kik.’ (
Vk, 1.9.10) In het geval van Nekschot gaat het om een autochtone cartoonist die tekeningen maakt die strafbaar zijn omdat zij beledigend zijn voor onder anderen moslims. Bij de veroordeling van de AEL gaat het om een Arabische organisatie die Joden beledigt. Het recht behandelt de vrijheid van meningsuiting voor Nekschot en de AEL gelijk, zoals het hoort. De strijders voor de absolute vrijheid van meningsuiting doen dat niet. Voor hen is de vrijheid van Nekschot beschermingswaardiger dan die van de AEL.
Journalist
Brendel wees erop dat het helemaal niet stil was, zoals Jansen beweerde: ‘Bij De Jaap, opgericht door ‘vrijheidsnarcist’ Bert Brussen, verschenen twee artikelen tegen het AEL-vonnis. Robert Engel, die andere ’vrijheidsextremist’, nam het eveneens op voor de meningsvrijheid van de AEL. Ook op andere plaatsen (bijvoorbeeld De Dagelijkse Standaard, Elsevier, TheRealShowStopper en Geen Stijl) werd protest aangetekend tijdens het proces, niet uit sympathie voor de weerzinwekkende plaatjes van tekenaar Abdoulmouthalib Bouzerda, maar vanwege het principe van de vrije meningsuiting. Zo zag Trouw-columnist Sylvain Ephimenco vanaf het begin niets in de vervolging van Bouzerda.’
Analyse. Dat niemand een ‘kik’ gaf, is dus gezien de bovenstaande links regelrecht onjuist.

Prick over luchtjes in het hbo (22.12.2010)

Leo Prick, redacteur van het NRC, wist te melden dat hogescholen zouden duizenden diploma’s hebben uitgereikt waar een luchtje aan zit. (NRC Opinie, 11 nov.). De oordelen van de studenten over het niveau van de toetsing zijn vernietigend, zo meldde hij verder.

Hoe zit het met het ‘luchtje’ van Prick? Het zou om 0.7 % van de afgegeven diploma’s gaan, waarbij op voorhand niet inzichtelijk is hoe kwaliteit van de toetsing is gewaarborgd. Nader onderzoek zal dus uitsluitsel moeten geven, maar Prick hoeft de conclusies in april 2011 niet af te wachten. De hogescholen hebben luchthartig voor Sinterklaas gespeeld (beweert Prick) en dat is volgens hem niet meer dan logisch. Het gaat echter niet om de vraag wat hij logisch acht, maar om de vraag wat de feiten zijn.

Grunberg & de persoonlijke aanval (21.12.2010)

“Vermoedelijk uit angst ontmaskerd te worden, citeert de heer Rutte snel Thomas Mann. Juist dat citaat bevestigt dat de heer Rutte de banaliteit van de parvenu vertegenwoordigt.” In deze column in de Volkskrant (20 dec.) drong Grunberg door tot de diepste lagen van de ziel van premier Rutte.

Ruttes antwoorden op vragen van de Volkskrant gaven volgens de columnist blijk van “een curieuze combinatie van vulgariteit, contaminaties en triomfantelijkheid.” Dat zou dan blijken uit een citaat als ‘Ik zal zorgen dat we dit met wortel en tak uitroeien.’

Grunberg: “ ‘Dit' slaat vermoedelijk op het ‘drugsmilieu in Eindhoven’, maar aangezien het belangrijkste programmapunt van de heer Rutte is dat de samenleving moet worden ‘terugheroverd op de hufters’ gaat er achter ‘dit’ wellicht meer schuil. De heer Rutte heeft het enthousiasme en de daadkracht van een leidinggevende bij de gemeentelijke reinigingsdienst. Groot vuil of hufters, het is hem om het even, zolang er maar ‘terugheroverd’ wordt.”

Analyse. In deze column lanceert Grunberg een reeks persoonlijke aanvallen met als trefwoorden ‘banaliteit’, ‘parvenu’ en ‘vulgariteit’. Zielenvorser Grunberg weet ook waarom Rutte Mann citeert: uit angst om ontmaskerd te worden. Om het geheel in stijl af te maken, voegt Grunberg ook nog ‘vermoedelijk’ toe.

Elsevier over softe rechters (20.12.2010)

Terechte boosheid over te softe rechtspraak. Extreem milde veroordelingen, aanhoudende verlofregelingen voor onhandelbare tbs'ers. Tijd dat de rechters eens kiezen voor slachtoffers, in plaats van voor de daders” aldus het commentaar van Elsevier-commentator René van Rijckevorsel.
Een van de zaken waarop hij op doelt, is de moord die door een oud-politieagent werd gepleegd. Hij “krijgt in Rotterdam acht jaar wegens 'doodslag' nadat hij met 52 messteken zijn ex vermoordde. De straf is zo laag omdat hij in een opwelling zou hebben gehandeld.” (Elsevier, 24 april 2010)
Analyse. Het is dan interessant om te kijken wat de rechtbank zei. In de uitspraak (LJN: BM0452) staat dat “bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf de rechtbank enigszins rekening heeft gehouden met het gegeven dat de verdachte en het slachtoffer een nogal heftige relatie met elkaar hadden, die met veel ‘ups en downs’ gepaard ging. Binnen hun relatie zou ook sprake zijn geweest van enig fysiek geweld van de zijde van het slachtoffer, waarbij zij niet naliet verdachte erop te wijzen dat hij zijn baan bij de politie zou kwijtraken als hij háár zou slaan. De rechtbank ziet hierin aanleiding om in beperkte mate af te wijken van de eis van de officier van justitie.” De laatste eiste tien jaar, maar de rechtbank ging niet verder dan acht jaar.
In zo’n geval als deze zijn er twee kandidaten: moord of doodslag. Er was geen sprake van moord, omdat er geen sprake was van voorbedachten rade (art. 289 Sr.). Daarom opteerde de rechtbank voor doodslag (art. 287 Sr.).
Elsevier vertaalde dit als ‘opwelling’ en dat was de verklaring van de lage straf. Die interpretatie is suggestief. ‘Voorbedachten rade’ kon niet worden bewezen, dus van moord kon geen sprake zijn. Dan is ‘doodslag’ - min of meer ‘moord zonder voorbedachten rade’ - de volgende optie en die achtte de rechtbank wel bewezen.

De oorlog van Kortenoeven (17.12.10)



PVV-er Kortenoeven wilde oorlog met Iran, maar afgelopen donderdag zwakte hij zijn uitspraken in de Tweede Kamer (Vk). Hij zei dat hij verkeerd was begrepen. Hij zou niet hebben gepleit voor oorlog, maar zijn steun hebben uitgesproken voor “preventieve acties die zijn gericht op nucleaire installaties”. “Ik wil geen oorlogsstemming kweken.”

Kortenoeven zei echter letterlijk: “Wij moeten een oorlogshandeling verrichten om dit regiem tot staan te brengen.” Over preventieve acties tegen nucleaire installaties had hij het niet, maar los daarvan gaf hij met zijn toevoeging - ongewild - aan dat hij dus niet verkeerd was begrepen. Want ook deze 'preventieve acties' zijn gewoon oorlogshandelingen.

Contradictie (15.12.10)

Geert Wilders zou op 11 september zijn zegje doen in New York. De Nederlandse ambassades kregen vervolgens de instructie om te benadrukken dat Geert Wilders geen regeringsstandpunt verkondigde. Die boodschap zou in een interne instructiebrief van het ministerie van Buitenlandse Zaken staan, die gericht was aan alle Nederlandse ambassades (NRC). Op de site van Novatv stond het volgende:


“Ontkenning
Het ministerie van Buitenlandse Zaken ontkent dat de brief verstuurd is door het ministerie. Volgens een woordvoerder worden er nooit uitspraken worden gedaan over interne stukken. Maxime Verhagen, demissionair minister van Buitenlandse Zaken en als CDA-partijleider in onderhandeling met VVD en PVV, ontkent overigens dat de brief van zijn ministerie afkomstig is.”


Analyse. Hier is sprake van een contradictie. Enerzijds wordt door het ministerie ontkend dat deze brief is verstuurd; anderzijds zegt een woordvoerder van dat ministerie dat er nooit uitspraken over interne stukken worden gedaan. Maar ook de mededeling dat er geen brief is verstuurd, is een uitspraak over een intern stuk. Als er sprake is van één woordvoerder, dan maakt deze zich schuldig aan een contradictie.

Geert Corstens & Wilders (14.12.10)

Ik vraag me af bij wat voor circus ik terecht ben gekomen”, zei Wilders, die zich tijdens zijn proces. “Een raadsheer van het hof die mijn vervolging heeft bevolen, heeft geprobeerd een getuige-deskundige te beïnvloeden. Ik vind het een enorm grote puinhoop.” Geert Corstens, de president van de Hoge Raad, is van mening dat Wilders met dergelijke uitlatingen op “een foutieve manier” inspeelt op gevoelens bij het publiek. Hierdoor ontstaat het gevaar van aantasting van de rechtspraak.

Corstens' analyse riep de volgende nuanceringen bij enkele lezers van Elsevier (24 okt. 2010) op:

...waar l@lt die vent over?

Allemaal vooringenomen sufferds, die niet eens in de gaten hebben dat ze straal voor l*l staan.

...komplete nonsens en niet getuigend van enig verstand...

Weer zo'n compleet gestoorde die ver uit de buurt van zijn functie gehouden zou moeten worden.

Wat denkt deze man wel niet? Dat hij als onaantastbare wel even kan bepalen wat iemand wel of niet mag zeggen? Dat zijn grote afstand van de realiteit hem het recht geeft om iemand zijn rechten te ontzeggen? En waarom hoor je hem niet over zijn bevooroordeelde collega's?

De rechtspraak in Nederland? Die is toch al jaren compleet verrot en verlinkst? Het merendeel van deze gerechtelijke dwaallichten is van PvdA of D66 huize dus niet alleen linkserig en fatsoensrakkerig maar tevens laf en soft.

Deze meneer Corstens zijn bovenkamer is mistig...

Geert Corstens! ga vooral zo door lompe sukkel...

Die man heeft geen flauw benul van wat hij zegt.

Een volstrekt wereldvreemde, stuitend arrogante President van de Hoge Raad...

dat een rechtertje van de hoge raad een politicus aanvalt...

Hoe hypocriet kun je zijn meneer Corstens?

De rechterlijke macht doet aan inteelt-politiek. Schande dat Corsten zich in de publieke discussie mengt.

zou hij het liedje kennen over die "verwende jongetjes".....zeer van toepassing op onze (nou ja) rechters.mhr. is niet gewend een NEE te krijgen, en dramt lekker door. zielige vertoning!!!!

Over enige neiging tot zelfreflectie blijkt deze president -die dus geen president zou mogen zijn-niet te beschikken.
De rechtspraak is met boter en suiker ingemaakt en hij ziet het niet.

De rechterlijke macht zit vuistdiep in allerlei islamitische organisaties.

Corsten een schoolvoorbeeld van de kapsones van de LINK SE elite...

Die Corstens is volslagen krankzinnig...

Die Corstens ziet wel de splinter bij Wilders et all maar niet de balk in eigen oog.

Rogier van Castricum: een lul-de-behanger (13.12.10)

Deze vraag wordt op de Vlaamse tv beantwoord. Zie voor het antwoord hier.
Dit is geen persoonlijke aanval, omdat de kwalificatie niet in de plaats van het argument komt.

Rinus Otte vs. Leendert Verheij (10.12.10)

Ook de president van het Amsterdamse hof, Leendert Verheij, mengde zich in de Otte-gate. Otte was tussen 2005 en 2008 bestuurslid van dat hof en vertrok met een enorm conflict. “Dat conflict is destijds niet naar buiten gebracht en dat wil men nog steeds niet”, stelt Verheij.

Hij maakte in 2008 de naweeën van het conflict mee. Verheij, zo kunnen we in het NRC (2 december 2010) lezen, meent dat Otte in zijn boek zelf niet de deemoed laat zien die hij predikt.

Bovendien zou veel van diens ervaringen “makkelijk te falsifiëren” zijn. Veel feiten zouden niet correct zijn weergegeven. Zo is er volgens Verheij het verwijt van luiheid volstrekt onterecht. In 2009 heeft het hof 28 megastrafzaken afgedaan. Een record, volgens Verheij, “en dat lukt nooit met luie en ijdele mensen”.

Maar laten we eens kijken naar de feiten:

- De strafsector zit nog steeds in de rode cijfers (Verheij: dat komt omdat de gemiddelde zwaarte van de Amsterdamse strafzaken hoger is dan elders. Daar is de financieringssystematiek niet op berekend “en dat wordt ook erkend”.)

- De straf- en belastingzaken duren te lang. Volgens Otte is er bij de hoven sprake van een “verslechterende trend”. Dat blijkt ook uit het jaarverslag van de Rechtspraak 2009. In drie grote sectoren blijven de prestaties van alle vijf gerechtshoven niet alleen achter, maar lopen ze verder terug (zo kunnen we in het NRC lezen). De gerechtshoven Den Bosch en Amsterdam hebben ook financiële tekorten.

- “Bij de meervoudig behandelde strafzaken is de norm dat 85 procent binnen negen maanden afgehandeld moet zijn. De werkelijkheid in 2008 was 74 procent. Dat liep in 2009 terug naar 67 procent. Bij enkelvoudige strafzaken verslechterden de (matige) prestaties in die jaren van 59 naar 44 procent. Bij de eenvoudige strafzaken in appèl liep het niveau terug van 64 procent in 2008 naar 55 procent in 2009. In beide categorieën is de norm 90 procent binnen zes maanden. Over voorlopige hechtenis moeten raadkamers in 95 procent van de zaken binnen twee weken kunnen beslissen. Dat lukte in 2008 in slechts 50 procent van de zaken. En dat verslechterde in 2009 naar 45 procent. Bij de ‘overige’ raadkamerzaken moet 85 procent binnen 4 maanden worden behandeld. Daar was vooruitgang. In 2008 lukte dat in slechts 32 procent van de gevallen. In 2009 verbeterde dat naar 61 procent.

- Bij de belastingsectoren is het beeld dramatisch. Daar is de norm dat 85 procent binnen een jaar moet zijn afgehandeld. In 2008 bleef dat steken op 33 procent van de zaken - en op 30 procent in 2009.

- In de familiesector gaat het beter. 90 procent moet er binnen een jaar zijn afgehandeld. In 2007 werd die norm ruim gehaald. Sindsdien verslechterde dat licht van 88 naar 87 procent.” (Gegevens: NRC, 2 december 2010).

Kortom, de voorstelling van zaken door Verheij behoeft toch een duidelijke nuancering. Over de hele linie zien we een neergaande lijn.

Rinus Otte vs. Kees Schuyt (9.12.10)

‘Een moedig boek’, vond voormalig VVD-leider Frits Bolkestein. Maar anderen waren dus niet erg enthousiast over het boek ‘De nieuwe kleren van de rechter’, het 'egodocument' van Rinus Otte, vicepresident van het gerechtshof in Arnhem.

Een van hen was jurist en socioloog Kees Schuyt. Hij “deed zijn best om Ottes boek naar de vuilnisbak te verbannen”, schreef Volkskrantjournalist Wanders later over Schuyt (Vk, 20 november 2010). Schuyt: “De auteur doet in dit boek precies wat slechte managers doen, namelijk het doel van de organisatie uit het oog verliezen. Zelf schrijft Otte dat zijn boek geen feitenrelaas is, evenmin een wetenschappelijke verhandeling en ook geen bellettrie. Wat is het dan wel? Ik word er niet wijzer van.”

“Bezien vanuit sociaal-wetenschappelijk perspectief is het inderdaad een waardeloos boek”, reageerde Otte op Schuyts kritiek. "Als uw invalshoek een wetenschappelijke is, moet u dit boek niet kopen. Het is een egodocument. Het bevat persoonlijke bespiegelingen. Hier en daar is het misschien iets te persoonlijk.”

Analyse. Heeft Schuyt een punt? Ik meen van niet. Het eerste kritiekpunt is dat Otte, net als een slechte manager, het doel van de organisatie uit het oog verliest. Maar deze analogie gaat niet op. De manager wordt betaald om een organisatie te managen, maar de auteur die een verslag van zijn ervaringen als medewerker van een organisatie geeft, heeft die functie en pretentie helemaal niet.

Dat Schuyt het boek niet kan plaatsen in een voor bekende categorie is bovendien irrelevant. Misschien vervelend voor hem, maar niet meer dan dat. Het gaat namelijk niet om de vraag of Schuyt er een etiket op kan plakken, maar om de intentie die Otto met het boek heeft. Het weerwoord van Otte is dan ook terecht: het is een egodocument.

Rinus Otte vs. Heleen van Maurik (8.12.10)

Rechter-plv. Heleen van Maurik van de strafsector van de Haagse rechtbank is boos. Op Rinus Otte (Nrc , 29 november 2010). “Amsterdam Raadsheer. Otte maakt een gefrustreerde indruk” Zij herkent zich niet in het negatieve beeld dat de laatste schetst van niet-zelfkritische en luie rechters. Er wordt in Den Haag hard gewerkt. “De krant geeft hier ruim baan aan een kennelijk hevig gefrustreerde technocratische betweter, die over de rug van heel hard werkende beroepsgenoten nu als hoogleraar de beeldvorming nog verder kan verstieren.”

Analyse. Otte is “gefrustreerd” en hij is “een technocratische betweter”. Deze persoonlijke aanval behoeft geen nadere toelichting. Daarnaast hanteert van Maurik ook nog het zieligheidsargument: over de rug van hardwerkende rechters verstiert hij de beeldvorming.

Los daarvan impliceert het feit dat Van Maurik zich niet in het verhaal van Otte herkent, niet het ongelijk van Otte.

Rinus Otte vs. Van Zutphen (7.12.10)

Misbruiken rechters soms hun vrijheid? Deze vraag werd naar aanleiding van het boek van Rinus Otte voorgelegd aan Van Zutphen, de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR). Hij vindt van niet: “Nou, die levenslange aanstelling heb je niet gekregen om op vrijdagmiddag het gras te gaan rollen” (NRC, 2 december 2010). Zulk gedrag kwam ooit voor, “maar dan moet je twintig jaar terug”.

Wie nu niet goed functioneert, ondervindt daarvan consequenties in de vorm van verbeterafspraken, gesprekken, cursussen enoverplaatsingen. Van Zutphen: “Uiteindelijk kan dat leiden tot onvrijwillig ontslag.” Niemand in de rechterlijke macht is een arrest van de Hoge Raad uit 2009 ontgaan, zo meldt hij verder. Toen werd een bestuursrechter ontslagen die sinds 1997 slecht functioneerde.

Analyse. Deze verwijzing is interessant. Om aan te geven dat ook een onvrijwillig ontslag van rechters mogelijk is, verwijst Van Zutphen naar een arrest van de Hoge Raad van 2009. Dat een rechter een aanstelling voor het leven heeft, is betrekkelijk, want in 2009 werd er een ontslagen.

Maar is Van Zutphens verwijzing in de context die Otte schetst, wel relevant? Laten we eens nader kijken naar die uitspraak van de Hoge Raad (LJN BK6646). Over dat ontslag kunnen we het volgende lezen:

De rechter, waar het hier om gaat, werd in 1992 aangesteld. Uit het verslag van het evaluatiegesprek van 19 december 1996 blijkt dat wordt getwijfeld aan haar besluitvaardigheid en dat zij voorlopig nog een halve portie zaken krijgt toebedeeld. Tijdens een gesprek van 16 juni 1997 wordt gesproken over een overgang naar de strafsector. De beoordelaar is onder meer van mening dat een overgang voor betrokkene wenselijk is omdat haar functioneren in de bestuurssector “thans nogal wordt overschaduwd door de al enige jaren durende discussie over haar kwantitatieve prestaties”.

Negen jaar kwakkelt het door, onder andere door haar alcoholverslaving. Op 24 juni 2006 wordt ze op non-actief gesteld. Van 6 november 2007 tot 15 mei 2008 is ze in het kader van de re-integratie voor twee dagen per week werkzaam geweest in de strafsector van de Rechtbank. Bij die rechtbank is men niet tevreden over het werktempo, de inbreng in het raadkameroverleg, het collegiale verkeer en het optreden ter zitting. De conclusie van de begeleiders binnen de Rechtbank is dat de re-integratie onvoldoende succesvol is gebleken om als basis te kunnen dienen voor verdere werkzaamheden binnen de strafsector van de Rechtbank.

De Hoge Raad is, in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie ongeschiktheidsontslag rechterlijke ambtenaren van 23 maart 2009, van oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor het verrichten van haar taak als rechter. Dit oordeel berust op het totaalbeeld van het functioneren van betrokkene, die, zo meldt de Hoge Raad, in “ieder geval sedert 1997, niet in staat is geweest om het werk dat van haar als rechter wordt verlangd in een aanvaardbaar tempo te verrichten, hetgeen tot onwenselijke vertragingen heeft geleid en de samenwerking met haar collega's onder grote druk heeft gezet.”

Het voorbeeld van Van Zutphen bevestigt eerder de bevindingen van Otte dan het tegendeel. Weliswaar werd de rechter onvrijwillig ontslagen, maar wel pas na twaalf à dertien jaar. Toegegeven, eind 2005 en begin 2006 leek met haar het beter te gaan. Maar ondanks haar familiaire omstandigheden en haar alcoholverslaving is de periode dat niet niet adequaat bleef functioneren al met al zeer lang.

Los van dit punt is Van Zutphens eerste antwoord op de vraag of rechters hun vrijheid misbruiken, irrelevant. Dat een rechter een levenslange aanstelling niet heeft gekregen om op vrijdagmiddag in het gras te gaan rollen, is geen antwoord op de vraag of het gebeurt.

Bestaat de vrije wil? Herman Philipse vs. Victor Lamme


Vanavond, 6 december dus, kon men uit vrije wil, voorzover die al bestaat, een heerlijk debat volgen tussen twee retorische grootheden. Spui25 had de hersenonderzoeker Victor Lamme en filosoof Herman Philipse uitgenodigd om onder de bezielde leiding van de erudiete logicus Johan van Benthem van gedachten te wisselen over de vraag of onze hersenen logisch denken. Het leverde niet alleen een interessant en bijzonder humoristisch debat op over ‘de vrije wil’, maar liet ook een aardige confrontatie zien tussen een wetenschapper en een filosoof.
Lamme bestreed de idee dat er zoiets als een vrije wil bestaat. Deze gedachte ventileerde hij eerder in zijn boek ‘De vrije wil bestaat niet’, dat enkele maanden geleden is verschenen. Aan de hand van een aantal smakelijke experimentjes liet hij zien dat mensen weliswaar menen dat ze uit vrije wil beslissingen nemen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat een volstrekte illusie te zijn. Een voorbeeld. Als Amerikanen moeten aangeven welke colasmaak (Coca Cola, Pepsi en Shopper Cola) ze het lekkerst vinden, dan blijkt hun voorkeur wordt bepaald door een verhaal dat ze voorafgaande aan hun proeftest hebben gehoord. Als proefpersonen eerst een verhaal horen over 9/11, dan vinden ze Coca Cola het lekkerst. Die cola is het meest Amerikaans en 9/11 roept bij veel Amerikanen patriotische gevoelens op. Als de proefpersonen een verhaal over Antrax hadden gehoord, vonden ze Pepsi het lekkerst. De verklaring is dan dat het giftige Antrax door een Amerikaanse burger was verstuurd en niet door buitenlanders. Saillant detail: in alle flesjes zat de cola van het merk Shopper.
Philipse was niet erg onder de indruk van Lammes verklaring. Mensen worden in dit soort experimenten op het verkeerde been gezet. Het onderscheid tussen Coca Cola en Pepsi qua smaak is al erg klein en bovendien werd hen wijsgemaakt dat er verschillende smaakjes in de drie flesjes zitten. En dat is het manco met veel van dit soort onderzoek: het zijn relatief eenvoudige experimentjes en onderzoekers menen ten onrechte dat hiermee al het volledige menselijke handelen te verklaren valt. Ten onrechte, meende Philipse. “Hier is sprake van een overhaaste generalisatie”. Lamme beschrijft de hersenen van een kikker en hij maakt vervolgens een reusachtige sprong naar de menselijke hersenen. Die sprong legitimeerde Lamme onder de verwijzing naar “in-essentie-gebeurt-er-bij-mensen-niets-anders” dan in de hersenen van kikkers. Philipse vond echter dat Lamme met die sprong de overkant niet haalde. (Eerder, in 1991, lanceerde Karen van Dam soortgelijke kritiek in haar 'Fixatie op fouten'.)
Lamme was het met dit verwijt op zijn beurt weer niet eens. Het ging niet alleen om experimentjes met eenvoudige denkactiviteiten. In zijn boek gaf hij ook voorbeelden van complexe denkactiviteiten en die experimenten laten in essentie niet veel anders zien: de vrije wil is een illusie. “Als je al de experimentjes bij elkaar optelt, dan houd je niets over wat zou kunnen duiden op een vrije wil.”
Philipse was het niet eens met de wijze waarop Lamme de vrije wil beschreef. Er zijn verschillende niveaus waarop de vrije wil zich manifesteert. Zo het is volstrekt rationeel dat iemand die de ambitie heeft om hoogleraar te worden, eerst promotie-onderzoek doet. En mensen beschikken volgens Philipse over ‘meer of minder’ vrije wil. Hij definieerde de vrije wil als een vermogen (waarover niet iedereen in dezelfde mate beschikt).
Analyse. De discussie over de vrije wil is een van de ‘klassiekers’ in de wijsbegeerte. Het aardige van deze discussie was niet zozeer (of niet alleen) het onderwerp, maar een aardige mix van logica en retoriek.
Toch is er wel iets aan te merken op de argumentaties. Terecht wees Philipse op een verwarring van verklaringsniveaus bij dit soort discussies. “Dat er hersenoorzaken zijn, sluit niet uit dat mensen redenen hebben voor hun gedrag”, stelde Philipse. Hij heeft daarmee een punt: wie een schaakcomputer openschroeft, ziet enkel transistoren en weerstandjes, maar niets wat duidt op ‘schaakgedrag’. Bij menselijke hersenen is dat niet anders. Men kan spanningsverschillen meten, maar je ‘ziet’ geen logisch redeneren in de grijze massa.
De vraag is alleen of Lamme louter een fysisch verklaringsmodel hanteert. Lamme hanteert m.i. daarnaast ook een functionalistisch verklaringsmodel. Het (irrationeel) gedrag dat iemand laat zien, heeft bij hem een fysiologische component, dat zichtbaar wordt in (bijv.) een MRI-scan.
Lamme had daarnaast, vond ik, wel een sterk tegenargument. Elke keer als je onderzoek doet naar het menselijk gedrag, kun je iets wegstrepen uit de logica van dat gedrag. On the long run hou je niets meer over. Maar met een dergelijk argument trek je wel een wissel op de toekomst.
Ook heb ik wat moeite met Philipses verwijt dat Lamme zich schuldig maakt aan overhaaste generalisatie. Er is namelijk wel degelijk onderzoek naar complexe taken en ook uit dat onderzoek blijkt dat irrationeel gedrag dominant is. Als rechters een oordeel moeten vellen over de schuld van een verdachte en daarbij achteraf het dossier lezen, dan meent ongeveer de helft van de rechters dat de verdachte schuldig is. Maar als rechters datzelfde dossier niet na, maar voor de zitting lezen, dan menen alle rechters dat de verdachte schuldig is. Ton Derksen heeft in zijn ‘Het OM in de fout’ haarfijn laten zien welke structurele missers beroepsjuristen maken in het kader van de waarheidsvinding. Het gaat daarbij niet om kleine experimentjes, maar om complexe denkactiviteiten.
Lamme houdt er m.i. wel een vreemde opvatting over ons rechtssyteem op na. Anders dan Lamme beweerde, zijn rechters geen vlezig uitgedorste computers. Rechters passen niet alleen maar regeltjes (dus wetten) toe in een bepaalde case, maar moeten op grond van art. 338 Sv op basis van wettige bewijsmiddelen ook de wettige overtuiging hebben dat de verdachte schuldig is. Een dergelijk systeem nodigt uit tot het maken van fouten, want rechters hoeven feitelijk alleen maar te zoeken naar de bevestiging van hun standpunt. Zegt dit iets over het redeneren van rechters of over het rechtssysteem dat rechters als het ware actief uitnodigt om structureel onlogisch te denken?
Overigens heeft Philipse wel weer een punt als hij wijst op de verschillende niveaus waarop men kan redeneren en ook redeneren. Met name op het niveau van ‘als-dan’-redeneringen zien we voortdurend terug dat mensen goede redenen hebben voor hun handelen. Wie hoogleraar wil worden, moet onder meer gepromoveerd zijn. In zo’n geval ligt aan het schrijven van een proefschrift een goede reden ten grondslag. Over de vraag of de ambitie zelf rationeel is, kan men vervolgens een interessant filosofisch boompje opzetten.
Philipse heeft de bewonderenswaardige eigenschap om complexe zaken in uitermate heldere bewoordingen uiteen te zetten zonder daarbij ook maar op enig moment oppervlakkig te worden. Dat bleek ook deze avond weer. Lamme weet daartegen met een (schijnbaar) achteloze nonchalance en – net als Philipse - met de nodige humor de luisteraar in te palmen.
Kortom, een sterke keuze.

Rinus Otte vs. Cees Fasseur (6.12.10)

Dat de kritiek van Rinus Otte bij zijn collega’s niet in goede aarde viel, was te verwachten. Eén van de reacties kwam van de hand van zijn collega Cees Fasseur, die in de periode 2001-2007 als raadsheer verbonden was aan het Amsterdamse hof. Otte coördineerde toen de strafrechtssector die uit een dertiental strafkamers bestond.

Fasseur heeft hem “leren waarderen als een hardwerkend manager” (NRC, 4 december 2010). Die opmerking maakt ruim baan voor een opsomming van Ottes tekortkoming. Zijn “grote tekortkoming was dat hij niet in staat bleek een goed contact met 'de werkvloer', met kamervoorzitters en raadsheren, te onderhouden. Hij zat altijd achter zijn bureau of in vergadering, voor zover hij niet als alleensprekend rechter zittingen (in eenvoudige zaken) deed. Hij kende zijn collega-raadsheren niet of nauwelijks, zocht ze niet op en leek ook niet in hen geïnteresseerd.”

Otte bakte er niet veel van, schrijft Fasseur. “Maatregelen ter bevordering van doelmatigheid wekten weerstand omdat ze soms averechts uitpakten. Zo werd de begintijd van strafzittingen van half tien naar negen uur vervroegd. Het gevolg was dat zo'n eerste ochtendzaak veelal moest worden aangehouden of met vertraging begon, omdat de gedetineerde niet tijdig was aangevoerd dan wel de advocaat niet op tijd was vanwege fileproblemen, dit tot ergernis van de (vaak ook van buiten Amsterdam gekomen) raadsheren. Een andere maatregel was de afschaffing van het abonnement op de goed functionerende bodedienst voor leden van het hof met domicilie buiten de hoofdstad. Dat spaarde enkele tienduizenden euro's per jaar uit. Het siert Otte dat hij in zijn boek volmondig toegeeft dat dit besluit een misslag was. Maar het kwaad was geschied. De tassen met dossiers dienden voortaan op het te hof worden ingezien. Ook de bestudering van de dossiers in het weekeinde werd daarmee onmogelijk (de werkweek van de rechter bestaat uit zeven dagen). Zo was mr. Otte, bij al zijn goede bedoelingen en ijver, een ramp voor zijn omgeving, hetgeen uiteindelijk tot zijn val bij het Amsterdamse hof heeft geleid.”

Analyse. Twee zaken vallen op. Het eerste is de retoriek. Eerst begint Fasseur met een compliment, die in de context van deze brief bij nadere beschouwing geen compliment is. Otte, zo stelt Fasseur, is een hardwerkende en ijverige manager. De boodschap is dan helder: van de kant van Fasseur is geen sprake van kinnesinne. Maar, zo blijkt uit het verdere betoog, Otte is een amateur die er niet veel van bakt: hij was niet in staat bleek een goed contact met ‘de werkvloer’ te onderhouden; hij zat altijd achter zijn bureau of hij was in vergadering; hij kende zijn collega-raadsheren niet of nauwelijks; en leek ook niet in hen geïnteresseerd.

Ook de vileine opmerking dat Otte alleen “eenvoudige zaken” deed, moet de lezer vooral duidelijk maken dat Otte zichzelf weliswaar rechter mag noemen, maar desalniettemin toch geen ‘echte’ rechter is. Retorisch gezien is dat een belangrijk punt, omdat men kritiek ‘van buiten’ altijd kan wegwuiven met een ‘x-weet-niet-waar-hij-over-praat’-argument. In het geval van Otte is dat natuurlijk wat lastiger en daarom is het punt van ‘eenvoudige zaken’ en ‘geen contact met de werkvloer’ van belang.

Dan het tweede punt: de argumentatie. Het betoog van Fasseur is behoorlijk onder de gordel. Want zelfs als Fasseurs weergave over Ottes (on)kundigheden klopt, dan nog zegt dat niets over Ottes inhoudelijke betoog. Dan nog kan hij gewoon gelijk hebben.

De vraag is overigens wat Fasseur onder ‘onkunde’ verstaat. Hij gaf het volgende voorbeeld: Otte liet zittingen niet om half tien, maar om negen uur beginnen. Heel erg vervelend voor advocaten en raadsheren die van buiten Amsterdam komen, meent Fasseur. Ook gedetineerden worden niet op tijd aangevoerd. Kortom, slechte zaak.

Maar wat wordt hier eigenlijk bewezen? Ottes onkunde? Of dat beroepsgroepen hun privileges niet wensen op te geven? (Terzijde: ook in het onderwijs kan men aanvoeren dat fileproblemen en te laat komende leerlingen niet wenselijk zijn en dat daarom de lessen niet om half negen, maar om half tien moeten begonnen. Tsja.)

Rinus Otte - een introductie (5.12.10)

Deze week is het Otte-week. De komende dagen ga ik in op de reacties op een boek van hoogleraar en rechter Rinus Otte. Hij schreef een boek, De nieuwe kleren van de rechter, waarin hij zijn ervaringen als manager binnen de rechtbank beschrijft. Zo blijken de verhoudingen tussen strafrechters en hun collega's in de leiding ernstig verstoord; de werksfeer is slecht; de omgangsvormen lijken de laatste jaren “rauwer en minder omfloerst” geworden. De gevolgen zijn niet mis. Door de gebrekkige organisatie loopt een hoog percentage strafzittingen vertraging op door gebrekkige organisatie. Bovendien worden afspraken over de behandeling en de duur van strafzaken niet gehaald.

In het NRC (18 november 2010) en de Volkskrant (2 december 2010) werden enkele passages uit ‘De nieuwe kleren van de rechter’ aangehaald:

“Ik ontmoet rechter Evers die volgens de meeste van haar collega's een van de grootste lastpakken is die er ooit gewerkt heeft. Als er geen conflict was, dan verwekte ze wel een crisis. Ze ratelt zoveel dat ik haar nauwelijks bij kan houden. Er worden volgens haar veel rechters aangenomen die de techniek niet goed beheersen.”

(…) “De gezondheid van rechter Lauwers is gesloopt, volgens mij mede dankzij kwaadaardige collega's die hem zijn promotie tot vicepresident niet gunden. Waren er maar meer rechters als hij in deze wereld.” (…) “Rechter Goederee is een aardige, wat verbeten man bij wie ik me soms afvroeg of hij wel goed zicht op de werkelijkheid heeft, vooral of hij enig relativeringsvermogen bezit. Hij trekt voortdurend ten strijde tegen alles wat hij als het volgende grote onrecht ziet.

Rechter Alberts oordeelt scherp over zijn collega's. Hij vindt een voortdurend opstandige vrouwelijke collega een lichtgewicht, een storende voetzoeker die alleen maar schreeuwt. Maar als het er op aankomt om tegen haar fulminerende gedrag op te komen, bekent hij bang te zijn dat ze hem vervolgens zal kapotmaken.”

Over lege kamers in de rechtbank: “In mijn jaren als bestuurder waren er nogal wat rechters die zich ophielden in het nabijgelegen café om zich druk te maken en te beklagen over de organisatie. De kamers stonden vaak leeg. Men werkte kennelijk thuis, maar als ik veel rechters zag komen en gaan, was het meestal niet met koffers vol dossiers.”

Over eigen belangen: “Zo vond en vind ik dat rechters zich naar willekeur, vooral als hun eigen belangen op het spel staan, op hun onafhankelijkheid en het zijn van derde staatsmacht beroepen."

Over de werklastnorm: “Welk besturingsmodel er ook wordt gekozen, uiteindelijk is het [...] zo dat er maar een paar rechters zijn die boven hun werklastnorm werken en dat de meerderheid altijd vindt dat ze het zo moeilijk heeft met het toebedeelde werk."

Over de snoepwinkel: "Veel rechters zijn sinds 2007 vicepresident geworden omdat in het kader van een landelijke loonsverhoging het aantal vicepresidenten is opgehoogd tot 50 procent van het totale aantal rechters. [...] Veel benoemingen hebben verbijstering gewekt. In plaats van dat de gerechtsbesturen wachten met het openstellen van [...] vacatures totdat er een geschikte kandidaat was, leken zij op het kind bij wie het spaargeld in de zak brandt om het in de snoepwinkel te kunnen uitgeven. Veel gerechtsbesturen hebben het maximale aantal vacatures opengesteld als een cadeautje aan de eigen medewerkers, maar beschikten niet over het geschikte rechtersbestand.”

Over bastions in de rechtbank: “De meeste gerechten vormen een soort bastion dat niet of nauwelijks overlegt met andere bastions in de regio. Bestuurlijk en managementoverleg is er wel, maar juridisch overleg is er nauwelijks. [...] Ik meen dat de individuele rechter voor de gezagserosie een zekere verantwoordelijkheid kan nemen door vaker met andere rechters contact op te nemen, desnoods buiten het arrest of de samenstelling van de uitspraak om, enige uitleg te geven. Het verloren gezag van de appèlrechtspraak heeft veel te maken met het geïsoleerde optreden van de gerechtshoven.”