Nieuw nummer van het tijdschrift Informal Logic is verschenen

Klik hier voor de digitale versie.

De vertekening van een standpunt door prof. Kortmann (5.12.11)

De affaire zal inmiddels bekend zijn: de hoogleraren Diederik Stapel en Roos Vonk werkte samen bij een onderzoek naar de psychologische effecten van vlees. Stapel bleek op grote schaal gefraudeerd te hebben met data. Ook de data die aan het ‘vleesonderzoek’.
Het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen verzocht daarop de commissie wetenschappelijke integriteit uit te zoeken hoe Vonk bij dit onderzoek heeft gehandeld. De commissie stelde dat Vonk niet had gefraudeerd en ook niet bij fraude betrokken was. Maar, zo stelde de commissie verder, Vonk had wel professioneel onzorgvuldig gehandeld. Op basis van het advies van de commissie berispte het college Vonk en maakte deze berisping openbaar. De samenleving moet kunnen vertrouwen op de zorgvuldigheid van wetenschappers.
In de Volkskrant (O&D, 29 november 2011) stelden Buck en andere leden van de Nijmeegse studentenpartij asap dat het advies van de commissie wetenschappelijke integriteit over Roos Vonk openbaar zou moeten zijn. Ze wezen op het feit dat de Universiteit van Tilburg had het rapport van de commissie-Levelt over Diederik Stapel wel openbaar had gemaakt. In de woorden van Bas Kortmann, rector magnificus van de Radboud Universiteit Nijmegen,: “De Universiteit van Tilburg had het rapport van de commissie-Levelt over Diederik Stapel al openbaar gemaakt. Dus waarom publiceert de Radboud Universiteit het rapport over Vonk niet?”
Prof. Kortmann reageerde als volgt: “Het college kan het advies van de commissie echter niet openbaar maken. De commissie heeft de handelwijze van Vonk onderzocht op basis van de regeling wetenschappelijke integriteit Radboud Universiteit Nijmegen. Deze regeling bepaalt dat het advies van de commissie niet openbaar is (artikel 24 lid 1). Daar moet ook het college van bestuur zich aan houden. Tijdens het spel kun je de regels niet veranderen. De regeling bestaat al sinds 2006 en is te vinden op de website van de universiteit.”
Analyse. Het college van bestuur publiceert het rapport niet, omdat de regels van de universiteit dit niet toestaan. Maar wie maakt die regels? Het college van bestuur. En waarom mag art. 24 lid 1 van de regeling wetenschappelijke integriteit Radboud Universiteit Nijmegen niet worden aangepast? Omdat je tijdens het spel de regels niet mag veranderen.
Tegenover dit formele argument (regels zijn regels) stelde Kortmann de argumentatie van Buck. Dat wil zeggen: hij vertekende het standpunt van Buck. Die laatste zei namelijk helemaal niet dat het rapport openbaar moest worden gemaakt omdat de UvT het rapport over Stapel openbaar had gemaakt. Buck somde drie inhoudelijke redenen op. De eerste was dat de wetenschappelijke wereld zich niet kan herstellen wanneer rapporten naar de integriteit van degenen die het imago wellicht hebben bedoezeld niet openbaar worden gemaakt. De tweede was dat je elk verwijt dingen in de doofpot te stoppen voor moet zijn in gevallen waarin men onwetenschappelijkheid vermoedt. En de derde is dat de wetenschap openbaar moet zijn.
Van een (onjuist) analogie-argument van de zijde van Buck was helemaal geen sprake.

Halfzachte conclusies van Martin Sommer


Martin Sommer (Vk, 23.6.11) is van mening dat het idee van een halfzachte journalistiek die het heeft verloren van de macht, niet klopt. “En wie mij niet wil geloven leze Philip van Praag in het Jaarboek parlementaire geschiedenis 2010. Die schrijft: 'Er is geen onderzoek dat aantoont dat de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig. Het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde, is een mythe, vooral gebaseerd op een idealisering van het verleden’.”
Analyse. Inderdaad, het citaat staat er letterlijk zo. Alleen deugt de conclusie van Van Praag niet. Als er geen onderzoek is gedaan dat aantoont de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig, dan volgt daar niet uit dat het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde een mythe is. Als er geen onderzoek is gedaan, kun je dat ook niet weten. Alleen als  onderzoek is gedaan dat aantoont dat de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig, dan is het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde een mythe.

Breedveld, Niemöller & stroman

Venus (Museum van Agen).

Peter Breedveld beweert: “Volgens Joost Niemöller, die zich volstrekt vrij voelt publiekelijk te verklaren dat Breivik gelijk heeft, zijn dergelijke dreigementen ‘uitingen van kwetsbaarheid’.” (FN, 29.7.09)
Wat schreef Niemöller dan? Onder meer dit: “De ongemakkelijke vraag is: Kan zo’n verschrikkelijke klootzak als Breivik dingen zeggen waar ik het mee eens ben? En sterker nog: dingen die goed getroffen zijn? Ja, kennelijk. En dat is dus een heel problematische werkelijkheid. Want met mensen als Breivik wil ik het maar al te graag honderd procent oneens zijn. En als ik kan vaststellen dat het totale waanzin is wat hij zegt, dan is voor mij ook het probleem van tafel.
Je kunt natuurlijk gewoon besluiten om dat hele boek van hem niet te lezen. Of alleen een beetje diagonaal. Dat laatste is wat iedereen in de media gedaan heeft. Wat wil je ook, 1500 pagina’s. Oogt intellectueel. Laat maar zitten. Zal wel onzin zijn.
Ik heb inmiddels grote delen van het boek wel echt gelezen. Ja, er staat onzin in. Maar er staat ook heel veel niet onzin in. En er staan vooral nogal wat ongemakkelijke waarheden in.” Vervolgens geeft hij een inhoudelijke toelichting over juiste en onjuiste beweringen.
Kortom, dat is iets totaal anders dan te verklaren dat Breivik gelijk heeft. Breedveld maakt zich schuldig aan een stroman.

Donners catch 22 in de SGP

.
Door Rob Kooijman
In een brief aan minister Donner schreef het SGP-bestuur dat er met betrekking tot de kandidaatstelling namens de partij voor politieke functies geen formele belemmeringen voor vrouwen zijn.



Donner: “Ik constateer, nu er geen formele belemmeringen voor vrouwen zijn -- dat heb ik vastgesteld -- er dus alleen maar praktische belemmeringen voor vrouwen zijn. Die zitten vast op het feit dat vrouwen die kandidaat zijn het beginselprogramma zouden moeten onderschrijven waarmee ze tegelijkertijd aangeven dat ze geen kandidaat zouden moeten zijn. Dat is de catch 22-situatie die hierin zit. Als het beginselprogramma inhoudt dat ze niet moeten doen, wat u schrijft dat ze wel moeten doen, gedragen ze zich dus in strijd met het beginselprogramma. Dat vind ik niet het onderschrijven van een beginselprogramma. Dat is toch hetzelfde als wanneer de SP een neoliberaal zou kandideren en dan zou zeggen dat het niet in strijd met haar beginselen is? Hij draagt weliswaar iets totaal anders uit, hij is wat anders, maar hij is wel kandidaat. Daar hebben we het over.”

Vreemd, lijkt mij dat, een formele belemmering die een praktische belemmering oplevert voor vrouwen, maar geen formele belemmering voor vrouwen is. De formele regels van een vereniging bepalen immers het praktische functioneren van de leden van de vereniging; het zijn geformaliseerde juridisch bindende gedragsregels. Uit een eenvoudig bewijs uit het ongerijmde volgt dat een formele belemmering die geen formele belemmering voor vrouwen is, geen praktische belemmering voor vrouwen oplevert. Van een catch 22-situatie is daarom in de SGP geen sprake. Een (alledaags) voorbeeld van een catch 22-situatie is de situatie, na het verlaten van school, waarin men zonder werkervaring geen baan krijgt en men zonder baan geen werkervaring opdoet.

Een formele belemmering die het SGP-bestuur noemt is de volgende. Bij de beoordeling van kandidaten namens de SGP voor polliteke functies dus, zoekt de SGP naar leden die het vrouwenstandpunt onderschrijven. Het vrouwenstandpunt, dat in het beginselprogramma van de SGP is opgenomen, is de opvatting dat politieke functies, en daarmee het recht om voor die functies kandidaat te zijn – het zogeheten “passief kiesrecht”, op Bijbelse gronden in strijd is met de roeping van de vrouw. Stel, dat een vrouw kandidaat is en dat haar kandidaat-zijn door het SGP-bestuur wordt gezien als dat deze vrouw dan niet het vrouwenstandpunt onderschrijft – begrijpelijk, want zij gedraagt zich door kandidaat te zijn niet in overeenstemming met de opvatting van de SGP over de vrouw. Het onderschrijven van het vrouwenstandpunt zou dan een formele belemmering zijn voor vrouwen om kandidaat te zijn - was die formele belemmering er niet, dan kunnen vrouwen kandidaat zijn. Maar het bestuur zegt dat dit niet zo is: het gestelde levert een ongerijmdheid op. Als een vrouw kandidaat is dan, wordt haar kandidaat-zijn door het SGP-bestuur kennelijk niet gezien als dat die vrouw het vrouwenstandpunt niet onderschrijft. Hetzelfde bewijs uit het ongerijmde kan worden gebruikt voor de formele belemmeringen dat kandidaten het vrouwenstandpunt moeten “uitdragen” en “beginselgetrouw” en “geschikt” moeten zijn.


Vrouwen die het beginselprogramma onderschrijven, geven aan dat ze van opvatting zijn dat kandidaat-zijn in strijd is met de roeping van de vrouw. Het geeft niet aan dat hun gedrag daarmee in overeenstemming moet zijn. Daarom is op grond van de brief van het SGP-bestuur geen catch 22-situatie in de SGP. De verplichting tot onderschrijven is een goede garantie dat de kandidaat de opvatting van de SGP over de vrouw als kandidaat in gesproken en geschreven woord verkondigt, en blijft verkondigen als de kandidaat door het electoraat verkozen wordt voor een politieke functie.


Als een vrouw kandidaat is dan gedraagt zij zich door kandidaat te zijn niet in overeenstemming met, niet naar het vrouwenstandpunt. Is het opmerkelijk dat het SGP-bestuur dit niet als belemmering ziet? Niet als je de rechterlijke uitspraak leest: “De SGP zal ook na gedwongen toekenning van het recht op kandidaatstelling aan vrouwen ten volle de mogelijkheid hebben het vrouwenstandpunt te verkondigen in het parlement. Van de SGP wordt slechts gevergd dat, zolang de SGP die opvatting heeft, de SGP zich niet naar die opvatting gedraagt.” Vrouwen in de SGP gedragen zich als kandidaat in strijd met de opvatting over de vrouw. Dat zij dat kunnen wordt van de SGP gevergd.


De situatie is niet hetzelfde als met de SP die een neoliberaal zou kandideren. Een neoliberaal verkondigt, neem ik aan, niet de SP-opvattingen over het neoliberalisme. Bovendien wordt van de SP niet gevergd in strijd met de SP-beginselen neoliberalen die zich ook naar het neoliberalisme gedragen – bedenkt u maar wat - het recht op kandidaatstelling namens de SP toe te kennen. Dat neoliberalen kandidaat voor de SP kunnen zijn wordt niet van de SP gevergd.


Rob Kooijman

Prof. Loonstein & het argumentum ad Hitlerum

Prof. Herman Loonstein in K&B (16.6.11): “Als het niet bewezen dierenleed waarover deskundigen in ernstige mate van mening verschillen, moet prevaleren boven het door joden ongestoord in Nederland kunnen blijven wonen, dan is dat een zwarte bladzijde in de geschiedenis van dit land. Dan zal hetgeen zestig jaar geleden niet gelukt is – het doen verdwijnen van de Joodse gemeenschap uit Nederland - binnenkort een feit zijn.” Hij vertolkte slechts, zei hij, wat leeft anno 2011 in de Joodse gemeenschap.
De vergelijking was ook geen vondst van hem. De dierenbescherming gebruikte die vergelijking ook al na de oorlog; in 1980 werd de link gelegd en nu legde Thieme zelf het verband door te stellen dat in de oorlog bedwelmd slachten ook was toegestaan.
Analyse. Dit is een voorbeeld van een argumentum ad Hitlerum (ook wel: reductio ad Hitlerum): door de argumenten te associëren met Hilter, probeert men die argumenten in diskrediet te brengen, enkel door de associatie.
Dat er binnen de Joodse kring zo gedacht wordt en dat anderen dat verband ook al gelegd hebben, doet niets af aan het gegeven dat dit type argumentatie het debat in de kiem smoort. Dat Loonstein slechts vertolkt wat er in de Joodse gemeenschap leeft, is evenmin een adequate rechtvaardiging. Prof. Loonstein kan, naar ik aanneem, ook zelf nadenken. 

Net verschenen....

Het hbo wordt kenmerkt door onterecht uitgedeelde diploma’s, structurele fraude met overheidsgelden en een bestuurlijke graaicultuur. Kortom: het hbo is failliet! Dat lijkt de conclusie na de stroom van media-aandacht waarin het hbo zich voorjaar 2011 mocht verheugen. Kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s buitelden over elkaar heen om de wantoestanden in het hbo aan de kaak te stellen. Een stoet van deskundigen trok voorbij om het geschetste beeld kracht bij te zetten. Volgens de auteurs is er inmiddels sprake van een media-hype.

In deze hype zien we vooral foutieve interpretaties van onderzoeken, gegoochel met cijfers en overhaaste generaliseringen. In dit boek reconstrueren de auteurs op welke wijze deze media-hype heeft kunnen ontstaan. Vier krachtige frames komen samen en leiden zo tot het idee dat het hbo niet deugt.

O.m. te verkrijgen bij Unibook (13.00 euro)

Open gezwatel van Wynia

‘Open gezwatel’ was de titel van een column waarin Syp Wynia, een journalist uit de Elsevier-stal, het recente rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) besprak (Elsevier, 18 juni 2011). Hoewel, ‘bespreken’ is eigenlijk een te groot woord, want feitelijk bestond de column van Wynia uit een fiks aantal merkwaardige verwijten. Hij viel over het gebruik van ‘de open samenleving’. Dat mocht niet van Wynia, want hij vond dit stelen. “Het begrip ‘open samenleving’ is ten tijde van de laatste wereldoorlog ontwikkeld door de filosoof Karl Popper. (…) Frissen en zijn kornuiten stelen het begrip van Popper en maken er een eigen brouwsel van dat ze inzetten om hun redeneringen een soort van ideologische onderbouwing te geven”. Dit verwijt raakt kant noch wal. De auteurs verwijzen niet eens naar Popper en los daarvan mogen ze termen gebruiken die anderen (in dit geval dus Popper) elders ook gebruiken. Van stelen is dus geen sprake. Wynia zegt dit onbedoeld ook, want hij verwijt de auteurs dat ze van dat begrip een eigen brouwsel maken.
Vervolgens ontspoorde het betoog van Wynia helemaal. Het advies van de Raad werd eenvoudig weggezet als “wetenschappelijke waanzin”. En de columnist ontpopte zich als therapeut en diagnosticeerde vrolijk dat de Raad een hekel zou hebben aan een min of meer homogene samenleving.
Maar de retorische trucjes van Wynia lagen er wel heel erg dik bovenop: “Laten we daar nu eens nuchter naar kijken”, was er een van. Zou iemand daar nog intrappen?

Grunberg is een bebrilde cavia

“Waarom wij het vermogen hebben om logisch na te denken”, wilde Arnon Grunberg (eigenlijk niet) weten, (want hij gaf zelf het antwoord: “opdat wij onderscheid kunnen maken tussen wat waar en niet waar is”.)
Helaas is Grunberg dan aan het verkeerde adres. In het logisch denken gaat het niet om de vraag of iets waar is. Het gaat om de geldigheid van een redenering.
De volgende redenering is logisch:
1. Als ik met mijn linker pink in mijn rechter oor boor, dan verandert Grunberg in een cavia.
2. Ik boor met mijn linker pink in mijn rechteroor.
3. Conclusie: Grunberg verandert in een cavia.
Deze redenering is logisch geldig, maar ik verwacht niet dat er na mijn door Grunberg gevreesde actie in werkelijkheid ergens een (bebrilde?) cavia rondloopt, waarin wij de vroege schrijver Grunberg kunnen herkennen.
Ik kan Grunberg dan ook geruststellen, want waar ik mijn vinger ook insteek, een Kafkaiaanse metamorfose richting cavia zit er niet in. Zoals gezegd, bij logisch denken gaat het niet om waarheid. Bij Grunberg overigens ook niet.

Interview over het 'Arnold Heertje-effect'

Luister hier naar het interview op Radio Brabant (zaterdag, 10 juni om 12.00)

Broodje aap & de sharia

Zie hier een sterk stuk op Sargasso.

Hoe het hbo door de EO werd gemangeld


“Vijf opleidingen zijn onderzocht en vier daarvan blijken niet hbo-waardig te zijn. Dat is een score van 80%.” De bewering kwam uit de mond van journalist en dichter Hans van Willigenburg in de uitzending van 'Dit Is De Dag'. Hij verwees naar (zijn eigen versie van) een recent onderzoek van de inspectie. Wat is er mis met die versie?
De inspectie zelf zei dat uit het onderzoek bij de 5 opleidingen van Inholland geen conclusies konden worden getrokken over de instelling Inholland (waar de 5 opleidingen onder vallen). 
Maar toegegeven, ‘een score van maar liefst 80% hbo-onwaardige opleidingen’ bekt aanzienlijk beter.

Interview (Zaanradio)

Vandaag (10 mei om 18.20) een interview op Zaanradio door Albert de Roo over het 'Arnold Heertje-effect'.

Hoe het hbo in het NRC werd gemangeld

Cartoon van Ritz


Het deftige NRC kon niet achterblijven in de spectaculaire berichtgeving over het hbo en zette fors in met een vette kop: het hbo fraudeert al sinds 1984. Historicus Bastiaan Bommeljé mocht op de Opiniepagina uitleggen hoe dat zat. Meteen in de eerste alinea ging het al helemaal fout. “Wie was echt verrast over de twee recente rapporten van de Inspectie van het Onderwijs waarin werd gesteld dat het merendeel van de onderzochte hbo-opleidingen ‘onder de maat’ bleek, zich ‘niet aan de wet hield’ en ‘onzorgvuldig gedrag’ vertoonde (NRC Handelsblad, 29 april)? Wie werd daadwerkelijk overvallen door het bericht dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen en dat de onderwijssituatie op hogescholen ‘zorgelijk’ is, of ten minste ‘aanzienlijke tekortkomingen’ vertoont?”
In het rapport van de inspectie werd echter gesteld dat het afstudeertraject voor langstudeerders bij 4 van zeer zwak was en bij nog eens 4 zorgelijk was. (Alle 99 opleidingen werden bevraagd en - als de antwoorden niet bevredigend waren - kreeg een instelling nog een aanvullende vragenlijst voorgelegd. Naast die vragenlijsten vormden negatieve signalen van (bijv. oudstudenten) de aanleiding om een aantal opleidingen nader te bekijken. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.) Bommeljé refereerde verder aan een bericht waarin – volgens hem - stond dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen. Laten we voor de aardigheid eens de letterlijke tekst uit dat bericht erbij halen: “De Inspectie van het Onderwijs onderzocht bij Inholland drie studies waar alternatieve afstudeertrajecten golden, maar ook twee opleidingen waar alles volgens de regels leek te verlopen. In totaal bleek 39 procent van de 200 onderzochte diploma's ten onrechte verstrekt te zijn.” (NRC, 28 april 2011). Het ging dus helemaal niet over verstrekte diploma’s in het hbo, maar over verstrekte diploma’s aan langstudeerders die een alternatieve afstudeerroute bij 3 opleidingen van Inholland hadden doorlopen. Sterker nog, de inspectie zegt op haar site letterlijk dat “door de wijze waarop de onderzochte opleidingen zijn geselecteerd (op basis van risico-inschatting en ernstige signalen) het onderzoek expliciet niet een algemeen beeld van het bekostigd hbo geeft”.
Sowieso was de intro van dit artikel van Bommeljé verrassend. Het zou dus gaan over fraude in het hbo, maar over het onderzoek dat in de eerste alinea werd aangehaald, schrijven de auteurs van dat onderzoek op p. 18 letterlijk dat er geen sprake was “frauduleus handelen”.
Vervolgens introduceerde de auteur een retorische truc: “laten we elkaar niets wijsmaken. Dit was oud nieuws, gaapverwekkend, meer van hetzelfde en zelfs geen reden om een wenkbrauw op te trekken.
Waaruit blijkt dat er meer dan een kwart eeuw in het hbo wordt gefraudeerd? Was het echt zo vanzelfsprekend? We zullen de argumentatie van Bommeljé volgen.
In 1984 bleek de Haagse Avondschool enkele honderden niet-bestaande studenten te hebben ingeschreven voor de Moedermavo. Inderdaad, het was een duidelijk geval van fraude (van – let wel – één opleiding).
In 2004 kwam aan het licht dat er rond 2000 voor 96 miljoen teveel aan sudsidie werd ontvangen. Maar ook hier moeten we wel enkele kanttekeningen plaatsen. Ten eerste stelde de commissie-Schutte die deze kwestie onderzocht, dat “onderwijsland geen fraudeland” is. Het bedrag kwam voornamelijk voor rekening van een klein aantal instellingen. Zo was 57 miljoen gedeclareerd door drie instellingen. Rutte, de toenmalige staatssecretaris, deelde de mening van Schutte. Er zijn “geen zwembaden aangelegd in achtertuinen van bestuursvoorzitters”. Hij wees erop dat het geld niet was onttrokken aan de belastingbetaler. De onderwijsinstellingen die zich wel aan de regels hielden, kregen minder geld.
Een tweede kanttekeningen werd geplaatst door Bert Vroon, de toenmalige voorzitter van het college van bestuur van de CHN. OCW had volgens hem een scheiding moeten aanbrengen tussen werkelijke fraudegevallen en interpretatieverschillen van regels. “In plaats daarvan hebben ze alles op één hoop gegooid, en de hogescholen alle schuld in de schoenen geschoven. Terwijl het ministerie zelf ook schuld draagt door onduidelijke regels.” De bestuursrechter in Leeuwarden vernietigde het besluit van de staatssecretaris (een terugvordering van ongeveer 830.000 euro). De Raad van State bevestigde die uitspraak (AB 2008,65), al moet ik toegegeven dat de kwestie wat ingewikkelder ligt dan ik hier weergeef.
Vervolgens ontspoort de argumentatie in het artikel helemaal. Het stuk gaat verder over ontevreden studenten en visitatiecommissies. In 1999 bleken studenten aan drie opleidingen een onvoldoende te geven. En ook was er volgens Bommeljé rond 2002 enorme kritiek van de zijde van de inspectie en visitatiecommissies. Ook bij deze weergave kunnen we (enorme) kanttekeningen plaatsen. In het jaarverslag van de onderwijsinspectie in 2002 kunnen we op p. 143 namelijk het volgende lezen: “De kwaliteit van het binnenschools curriculum is bij de meeste hbo-opleidingen voldoende tot goed. Een klein deel van de opleidingen kreeg van visitatiecommissies te horen dat de aandacht voor theorie zwaarder kon worden aangezet. Ook bleek bij sommige opleidingen weliswaar de inhoud en het niveau van het curriculum voldoende, maar was er geen methode om de handhaving ervan te borgen.” Een jaar later is het niet anders: “Visitatiecommissies zijn over het algemeen tevreden over het curriculum en de inhoud van de opleidingen (binnenschools curriculum 74 procent voldoende) alsmede over de kwalificaties die afgestudeerden bereiken (gerealiseerde kwalificaties 79 procent voldoende)” (p. 228).
De retoriek van Bommeljé ten spijt (“het zou nog veel erger worden”) wordt in het jaarverslag van onderwijsinspectie helemaal niet het desastreuze beeld geschetst dat hij de lezer voorspiegelt. Het percentage hbo-opleidingen dat in 2002 ernstige tekortkomingen vertoonde, was in het WO nagenoeg hetzelfde. Maar los hiervan, wat heeft dat allemaal met fraude te maken?
De in 2006 door het SCP voorspelde onderwijs- en kennisniveau, werd in hetzelfde jaar bewaarheid, stelt Bommeljé. In dat jaar bleken zelfs bijspijkercursussen in het hoger onderwijs noodzakelijk. Hij verwees naar de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en naar de universiteiten. Maar wat heeft het gebrekkige niveau van de instroom te maken met fraude in het hbo? Bommeljé besteedde vervolgens zelfs een hele alinea aan het gebrekkige taalniveau van universitaire studenten. Die uitwijding stond niet alleen los van het thema ‘fraude’, maar had zelfs niets meer met het onderwerp van het artikel (‘hbo’) te maken.  
Vanaf dat moment raakte de auteur het zicht op de werkelijkheid volledig kwijt. (Een flauwe opmerking, maar ik maak hem toch om te laten zien hoe makkelijk de retorische trucjes van Bommeljé ook toepasbaar zijn op zijn eigen artikel.) Hij beweerde dat “uit de beoordelingen van de 279 hbo-opleidingen die de NVAO controleerde tussen 2006 en 2010 blijkt (…) dat aan vrijwel alle hbo-opleidingen de goedkeuring verleend die nodig is voor overheidsfinanciering, ook aan de opleidingen die nu door dezelfde organisatie worden gekwalificeerd als ‘niet hbo-waardig’.” We gaan weer even terug naar de feiten. Die vrijwel “…alle hbo-opleiding…” zijn er in het totaal 4 van de 1189. En de kwalificatie had niet betrekking op de hele opleiding, maar op een betrekkelijk minuscuul onderdeel, namelijk het alternatieve afstudeertraject van langstudeerders, die hun studie maar niet wilden afronden. En waar zit nu de fraude? In het artikel zou toch ‘aangetoond’ worden dat in het hbo al meer dan een kwart eeuw gefraudeerd wordt?
Bommeljé stelde verder dat de onderwijsinspectie en de NVAO in 2008 met elkaar in conflict raakten. Het hbo-niveau zou op veel door de NVAO 'geaccrediteerde' pabo-opleidingen niet voldoende gegarandeerd zijn. Volgens de NVAO is dat onjuist. "De NVAO heeft pas begin 2009 de pabo’s beoordeeld op basis van de ingediende visitatierapporten. Ondanks de positieve rapportages heeft de NVAO in juni 2009 besloten zeven opleidingen niet te accrediteren, omdat twijfel bestond over de borging van het hbo-niveau." 
Om een en ander (maar wat precies, weet ik niet) te verduidelijken werd op het einde van het stuk ook nog de overhead van de Universiteit van Amsterdam erbij gesleept. 56% van het personeel werkt niet aan onderwijs of onderzoek. Inderdaad, schokkend, maar ook hier moeten we voor de zoveelste keer de vraag stellen: wat heeft de overhead van de UvA te maken met het hbo? En wat heeft het van doen met de fraude? Op 21 maart van dit jaar stelde Zijlstra dat het hbo een overhead van bijna 26% kent. 
De politiek heeft volgens Bommeljé altijd gekozen voor glanzende façades van de kenniseconomie. Nooit wierp ze een “echte blik op de treurnis daarachter, van desperate of cynische docenten, van zichzelf verrijkende en door almacht geobsedeerde bestuurders en van wanhopige, luie of over het paard getilde studenten”.  De docent lijkt er in zijn aanklacht dus nog genadig af te komen, maar schijn bedriegt. Maar tussen de regels door wordt duidelijk dat de grote boef in het verhaal diezelfde docent is. Hij is degene die het onderwijs totaal verziekt heeft. Ik zal voor de aardigheid Bommeljé’s opmerkingen bij elkaar zetten: “…docenten om onduidelijke redenen wekenlang afwezig zijn…”, “…mensen die geen Engels spreken…”. Zij gaven talrijke groepsopdrachten waren waarvoor iedereen een voldoende kreeg. Zij produceerden “tentamens - die toch al diepgang missen – en steeds opnieuw werden gebruikt, zodat studenten de antwoorden al kenden”. En examencommissies “bestonden vrijwel altijd uit eigen personeel van de opleiding, dat financieel baat had bij veel geslaagde studenten”. Uit de mond van Veerman liet Bommeljé komen dat nog al wat docenten “niet goed genoeg” waren. (Dat citaat heb ik nergens kunnen terug vinden. Niet in het rapport van de commissie en evenmin in Trouw, Volkskrant en NRC. Hoewel, een keer. In een artikel in de Volkskrant vond ik het gewraakte citaat terug. De auteur van dat artikel? Inderdaad, Bommeljé.)
Wel was er een negatief oordeel van studenten over het gebrek aan uitdaging in het hbo en het niveau van de docenten. In de periode 1996-2005 werden hbo-studenten inderdaad steeds negatiever over hun opleidingen. Met name de inhoud van de studie en de kwaliteit van de docenten werden kritisch beoordeeld, zeker in vergelijking met de universitaire studenten. Maar uit hetzelfde onderzoek blijkt dat hbo-studenten ook behoorlijk negatiever oordeelden over de sportfaciliteiten in vergelijking met wo-studenten. Zelfs in universiteitssteden waar hbo- en wo-studenten hetzelfde tarief voor de dezelfde sportfaciliteiten betaalden, was de waardering door hbo-studenten veel lager. Voor het uitgaansleven gold hetzelfde. Hoewel het verschil klein is, beoordeelden hbo-studenten de uitgaansfaciliteiten in de universiteitssteden gemiddeld lager dan wo-studenten. Dat roept dus de vraag op wat je nu precies op basis van zo’n onderzoek mag concluderen. Zijn de eisen in het hbo echt te laag of oordelen studenten in het hbo sowieso altijd negatiever over alles. Pas als deze vraag is beantwoord, kan er een zinvolle conclusie uit het onderzoek worden getrokken.
Wat te denken van het artikel? De auteur kondigde aan dat het hbo 24 jaar aan het frauderen was. Die beschuldiging maakt hij in de verste verte niet hard. In 1984 maakte één avondschool zich schuldig aan fraude; rond 2000 een aantal hogeschool (ten koste van andere hogescholen), hoewel de voorzitter van de onderzoekscommissie ‘onderwijsland geen fraudeland’ wilde noemen. Maar verder? Verder was er niets te melden. Elke negatieve opmerkingen over het hbo wordt losgeweekt uit de context, uitvergroot tot enorme proporties en gepresenteerd als een objectieve waarheid. 

Hoe het hbo door Elsevier werd gemangeld

In Elsevier die vandaag (7 mei 2011) verscheen, werd het hbo ‘onder vuur genomen’. Met de titel van het artikel ‘Onthutsend onwetend’ werd de toon gezet. De ondertitel deed nog erger vermoeden: “hoe hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’ konden krijgen, ook als van alles mis was.” En in de lead van het stuk probeerde Elsevier ook dat weer te overtreffen: het gesjoemel met diploma’s aan Inholland is de top van een ijsberg: in het hbo is veel meer mis. “Zelfs opleidingen met slecht onderwijs mocht eindeloos voortbestaan.”
Dat was nog niet genoeg, want ook in de eerste alinea moest de lezer nog overtuigd worden van de ernst van de zaak: het “harde” rapport van de onderwijsinspectie heeft niet alleen grote gevolgen voor Inholland, maar ook voor de reputatie van het hele hoger beroepsonderwijs. “Straks wantrouwen werkgevers elk hbo-diploma, en er zijn wel ruim 400.000 studenten in het hbo”. Nog even voor de duidelijkheid (en omdat dit feitje in artikel van Elsevier per ongeluk was vergeten): het rapport van de inspectie had betrekking op de alternatieve afstudeertrajecten van een aantal opleidingen, die men risicovol achtte. Anders gezegd: de onderwijsinspectie onderzocht wat opleidingen deden  met de langstudeerders, die in veel gevallen alleen nog maar hun scriptie moesten schrijven, maar dat nalieten omdat ze bijvoorbeeld te druk waren met hun baan. Het was geen a-selecte steekproef, maar een nader onderzoek bij opleidingen waarbij men bij de onderwijsinspectie op voorhand al vermoedde dat er wellicht iets niet in orde was met de ‘afhandeling’ van het afstuderen van de langstudeerders.
De inspectie zelf liet over de punten op de allereerste pagina van haar rapport dan ook geen enkel misverstand bestaan. De keuze voor een gericht onderzoek bij een aantal opleidingen werd eveneens keurig verantwoord. Maar aan al deze nuances had Elsevier dus geen boodschap en die suggereerde zonder blikken of blozen dat de kwaliteit van het hele hbo in het geding was.
Dat roept de vraag op hoe het weekblad, dat zichzelf onzettend scherp vindt, dit alles onderbouwde. In deze analyse concentreer ik me op twee aspecten: de feiten en de retorische verpakking ervan.

De ‘harde’ feiten
In het stuk werd de kwaliteitscontrole onder de loep genomen. Er zou dus van alles mis zijn en toch kregen hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’. Wat onderzocht Elsevier? Men wilde weten hoeveel lesuren een student krijgt en men wilde weten of een student (of een scholier) erachter kan komen of een hogeschool wel voldoende docenten inzet om een adequate opleiding te bieden. Het antwoord op de eerste vraag was eenvoudig: er is geen informatie beschikbaar, maar we weten wel dat de ratio docent/student gemiddeld 1 op 25 is. Het antwoord op de tweede vraag wist verder niemand.
Dat is een aardig item voor wat gedegen journalistiek spitwerk, lijkt me, maar Elsevier had daar geen zin in. Die gooide het over een andere boeg. De toezichthouder had nog nooit een onvoldoende uitgedeeld. Een kolom verder begon het percentage al op te lopen naar een bescheiden 1 procent. Weer een kolom verder bleken er maar liefst 250 opleidingen in Nederland (en Vlaanderen) te zijn verdwenen vanwege onvoldoende kwaliteit. Dat laatste had dan te maken met het feit dat opleidingen (bedoeld is waarschijnlijk: instellingen) voortijdig met die opleidingen stopten, omdat ze de bui in de vorm van een negatieve beoordeling al zagen hangen.
Maar ook met dat laatste ‘zelfreinigend’ punt wist Elsevier raad: “op zich mogelijk een gunstig en zelfreinigend effect, maar voor de buitenwereld wel volstrekt onzichtbaar”. Er moest – linksom of rechtsom – toch een luchtje aan hangen, en in dit geval plaatste Elsevier dan zelf maar een reukvlakje.
En dan was er nog het punt dat er genadezesjes werden uitgedeeld. Als een beoordelaar een onvoldoende zou geven, dan zou er ‘radicaal ingegrepen’ kunnen worden bij de opleidingen. Vandaar dat de beoordelaars terughoudend waren en geen voldoendes uitdeelden. Een in dit verband vervelende bijkomstigheid is dat dit stelsel inmiddels tot de verleden tijd behoort. Het systeem is geëvalueerd en kennelijk te licht bevonden vanwege dit onwenselijke neveneffect. Prima ontwikkeling, zou je zeggen, maar dat paste natuurlijk niet in het straatje van Elsevier. Daarom werd in de volgende alinea meteen een nieuw debacle aangekondigd: instellingen kunnen er nu voor kiezen om eerst een instellingen en daarna de opleidingen te laten beoordelen. En daardoor kunnen “hogescholen nu makkelijker bemoeienis van buiten ontlopen”. Met die constructie ging, zo lezen we verder, hogeschool Inholland aan de haal, maar die hadden niet gerekend op de Inspectie: “die kwam er nu dus ongevraagd even tussendoor”. Maar is zo’n stelsel werkelijk zo raar? De Wageningse hoogleraar economie Wim Heijman pleitte onlangs voor beoordelingen van instellingen, waar daar zit volgens hem nu juist de fout.

Het retorisch jasje
Elsevier ontdekte allerlei vreemde zaken: “Opmerkelijke uitspraak uit het rapport van de Inspectie: het onderzoek naar de kwaliteit van de opleidingen was nu ‘omvangrijker en diepgaander’ dan tijdens de ‘reguliere controlerondes’.
Hoezo opmerkelijk? Wat verwachtte Elsevier dan eigenlijk? Dat alle 1189 opleidingen over alle punten diepgaand werden doorgezaagd over alle aspecten? De onderwijsinspectie onderzocht een subonderdeel (afstudeertrajecten van langstudeerders) van een onderdeel (het afstuderen), dat deelaspect vormt van de toetsing, dat zelf weer behoort tot één van de onderdelen van de kwaliteit van een opleiding. En dat van 15 opleidingen. Dat kan dus makkelijker wat diepgaander (hoe diep is diepgaand eigenlijk?), maar in de ogen van Elsevier is zoiets dan ‘opmerkelijk’. Hoe dan ook, het weekblad had de smaak te pakken, want in de rest van het artikel werd gesproken over “gesjoemel met diploma’s”. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.
Maar Elsevier jokte er bovendien vrolijk op los. In het rapport wordt op pag. 27 iets anders gezegd: “Het onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden was omvangrijker en diepgaander dan bij reguliere accreditatiebeoordelingen gebruikelijk is.” De inspectie had het dus helemaal niet over de kwaliteit van de opleiding, zoals Elsevier schreef, maar over het niveau van de scripties van de langstudeerders.
Op het einde van het stuk kwam de getalsverhouding weer ter sprake. Vreemd, want dat item was al een keer de revue gepasseerd. Het “gebrek aan harde informatie en openheid mag vreemd heten in een land dat de mond vol heeft van kenniseconomie en internationalisering. De getalsverhouding van studenten en docenten telt steevast zwaar mee in gerenommeerde ranglijsten als the Times Higher Education Rankings, de CHE Ranking van Die Zeit en de publicaties van U.S. News & Worldreport”. Nog afgezien van het feit dat deze (omstreden) rankings betrekking hebben op universiteiten, is uitgerekend die getalsverhouding wel bekend. Die is namelijk 1 docent op 25 studenten. Dat stond nota bene in het artikel van Elsevier.

“Hoe kon het zover komen?”
Maar hoe kon wat zo ver komen? Laten we de feiten uit het stuk nu eens op een rijtje zetten:
-  4 opleidingen blijken hun afstudeertraject voor langstudeerders niet in orde te hebben;
- verder zijn er 250 opleiding in Nederland en Vlaanderen door de instelling zelf gesloten omdat men de bui al zag hangen m.b.t. de kwaliteit van die opleiding;
- het oude systeem bleek ‘genadezesjes’ te genereren en is daarom per 1 januari van dit jaar vervangen door een ander systeem;
- de getalsverhouding docent – student is 1 staat tot 25.
En waar begon het artikel ook al weer mee? Het zou toch gaan over hbo-opleidingen die het stempel ‘goedgekeurd’ kregen, ook al was er van alles mis… En het gesjoemel met diploma’s van Inholland zou het topje van een ijsberg zijn… In het hbo zou toch veel meer mis zijn… En er waren toch opleidingen met slecht onderwijs die eindeloos mochten voortbestaan… Waar was het door BON zo hijgerig aangekondigde ‘brekend nieuws’ gebleven?
Elsevier maakte helemaal niets waar van al die harde beschuldigingen. Geen lijk, geen zaak, maar die logica werkt niet bij het weekblad. Zouden de auteurs van het stuk een diploma hebben van de hbo-school voor journalistiek, vraag ik me stiekem af?


Voor meer ongenoegen over dit artikel: zie hier.

Heertje vs. Kinneging

Heertje was uitgenodigd om zijn zegje te doen over een (m.i. zeer verfrissend) boek van Willem van Leeuwen over ‘vergeving’ en dat deed Heertje dan ook (niet). Heertje zag, zo bekende hij, weinig heil in het verschijnsel ‘vergeving’. Hij noemde het een ‘alfa’-benadering. “Als u wilt dat er een samenleving komt, die humaner is, een samenleving waar mensen elkaar kunnen vertrouwen, waar mensen eerlijker zijn (…) als u dat wilt, zult u de vraag aan de orde moeten stellen waarom u dat eigenlijk wilt, en hoe u dat tot stand gaat brengen. Wat moet daarvoor gedaan worden… Welke architectuur is nodig om een dergelijke wereld te bereiken? Maar de eerste vraag is, is dat eigenlijk wel nodig? Is het nodig dat we allemaal mensen krijgen in de samenleving, die deze geweldig ethische humane karakteristieken hebben? Is dat nodig en als u denkt dat dit nodig is, hoe gaat u dat dan controleren of mensen eerlijk en betrouwbaar zijn. Want naar mijn mening gaat het daar helemaal niet om.” Volgens Heertje willen we een samenleving waarin mensen zich gedragen alsof ze te vertrouwen, eerlijke en integer zijn. En dan moet je de vraag stellen hoe je dat gaat bereiken. Een kwestie van ‘social engineering’. Hij pleitte voor een systeem van prikkels waardoor zich gaan gedragen alsof ze te vertrouwen zijn. Een meer humane samenleving kan bereikt worden langs de weg van de exacte wetenschappen. “Langs de weg van de natuurkunde, de scheikunde en de wiskundige.
Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie, meende dat Heertje een belangrijk punt over het hoofd zag: wie bewaakt degenen die de prikkelstructuren inbouwen (1:54:28). “Wie bewaakt de bewaker?”, wilde Kinneging weten. Hij wees erop dat de nazi’s heel goed waren in het construeren en gebruiken van prikkelstructuren. Heertje vond “deze suggestie buitengewoon grievend. Ik begrijp niet waarom u dat doet. Er is ook geen enkele reden om dat te doen. Het is volstrekt misplaatst. U weet niet wat u zegt. U suggereert nu dat ik met gedachtegangen kom, die – als het ware - gefundenes Fressen zijn voor de nazi’s. Dat vind ik buitengewoon kwalijk.”
Kinneging meende op zijn beurt dat dit voorbeeld wel degelijk van belang was, omdat dit de zwakte van het betoog van Heertje blootlegde. “Maar het is misschien wel waar. U vindt het niet leuk, maar daarom geef ik dit voorbeeld. Misschien heeft u niet goed genoeg nagedacht over deze problematiek.”
Heertje wees vervolgens op het fenomeen ‘mechanism design’, waarvoor drie Amerikaanse economen de nobelprijs hebben gekregen. Het waren, zo benadrukte Heertje, alle drie joden. “Een essentieel onderdeel van het ‘mechanism design’ is het voorzien in de behoefte van burgers.”
Kinneging wilde vervolgens weten waarom er geopteerd moet worden voor een waarde als duurzaamheid. Heertje: “Houdt u nu toch even op, meneer, als u wilt.” Dat wilde Kinneging kennelijk niet, want hij herhaalde zijn vraag.
Op dat moment greep de gespreksleider, Pieter Hilhorst, terecht in. Hij bracht op een slimme manier het gesprek terug op het thema van de avond, ‘vergeving’. Maar daar wilde Heertje niet aan meewerken. Hij kwam terug met de sneer dat Kinneging niet kan weten waar het in deze economische theorie om gaat. Uitgangspunt van deze theorie is de behoeften van burgers.
Analyse. Wat te denken van het argumentatief gehalte van deze discussie? Ik meen dat het debat werd gekenmerkt door een fiks aantal drogredenen.
Zieligheidsargument. Allereerst Kinnegings verwijzing naar de nazi’s. Heertje reageerde geschokt. Hij bracht het zieligheidsargument in. Dat houdt in dat Kinneging de verwijzing met de nazi’s niet had mogen maken, omdat deze ongepast zou zijn. Strikt argumentatief gezien mag Kinneging de nazi’s als voorbeeld er wel degelijk bij halen. Ook de nazi’s maakten buitengewoon effectief gebruik een ‘systeem van prikkelstructuren’ en (bijna) niemand is enthousiast over dat regiem. (Maar los van het onderwerp van deze site: de verwijzing naar de nazi’s was m.i. wel bijzonder smakeloos, gezien Heertjes persoonlijke biografie. Maar deed Kinneging dat ook bewust? Hij had makkelijk naar andere voorbeelden kunnen verwijzen, maar desondanks heeft hij – inhoudelijk gezien - nog geen ongelijk. Dat Heertje zelf andersdenkenden beticht van nazipraktijken en –denkbeelden maakt de verwijzing van Kinneging niet minder smakeloos.)
Inconsistente argumentatie. Heertjes betoog was warrig, want hij nam tegelijkertijd vier verschillende posities in:
a.      a. hij opteert voor de werkwijze van de exacte wetenschappen en die is – ethisch-normatief gezien – waardenvrij en daarnaast heeft moraliteit niets bij het oplossen van maatschappelijke problemen;
b.     b. hij gaat uit van een hypothetisch imperatief (een ‘als dan’-constructie): als je duurzaamheid van belang acht, dan moet je X doen;
c.      c. hij stelt dat het ‘mechanism design’ inherent normatief is, want dat perspectief gaat uit van de behoefte van de burgers;
d.     d. hij stelde in het vraaggesprek dat datgene wenselijk is wat burgers wenselijk achten (en dat standpunt zouden met een beetje goede wil kunnen zien als een verwijzing naar de smalle moraal).
De eerste twee posities zijn met elkaar te verenigen, maar de vier posities kunnen niet allemaal tegelijkertijd worden ingenomen. Wie opteert voor een natuurwetenschappelijke manier van ‘social engineering’, kan de ‘alfa’-vraag -  waarom zou je bepaalde waarden nasteven – niet beantwoorden. Die vraag is niet binnen de exacte wetenschappen te beantwoorden. Kinneging wees terecht op dat praktische probleem.
Irrelevante argumentatie. Kinneging wilde van Heertje weten wie de bewakers bewaakt. Dat is een klassieke vraag die Plato in zijn Politeia ook al stelde (en beantwoordde, zie: 369-376). Heertje gaf geen antwoord op die vraag, maar ging het perspectief van het ‘mechanism design’ nog een keer uitleggen. Maar daarmee wordt de vraag wie de mensen controleert die dit design toepassen niet beantwoord. Want, en dat was Kinnegings punt, ook nazi’s kunnen ge- of misbruik maken van die techniek.
Persoonlijk aanval. Mag bij Heertje niet ontbreken en werd dus ook hier weer met verve gelanceerd: Kinneging kan (!) niet weten wat een of andere economisch perspectief inhoudt. Kinneging is immers geen econoom. (Selten en Maskin, twee door Heertje bejubelde economen, zijn van origine wiskundigen. Zie mijn 'Het Arnold Heertje-effect', p. 46).
Autoriteitsdrogreden. Dat de ontwerpers van het perspectief dat Heertje zo enthousiast schetste,  beloond zijn met drie nobelprijzen zegt op zich niets over de vraag of hun perspectief in deze specifieke discussie inhoudelijk een waardevolle bijdrage levert. Dat die nobelprijswinnaars van joodse afkomst zijn, is voor Heertje kennelijk een relevant feit (zie zijn Echte Economie), maar is in dit verband irrelevant.
Off-topic: de immer vriendelijke Hilhorst heeft de – tegenwoordig steeds zeldzamer voorkomende - eigenschap van een gespreksleider om mensen te laten uitspreken en dat is een aangename gewaarwording. Maar het vooronderstelt dat de gesprekspartners wel over enige discipline beschikken. Die was bij Heertje niet aanwezig, want niet weg neemt dat de avond geslaagd was. Maar dat moeten we dan wel op het conto van Van Leeuwen en Hilhorst schrijven.

Hoe schrijf ik een recensie in 5 minuten (Bleich over Het Arnold Heertje-effect 3)

Op de persoon spelen, een favoriete bezigheid van media-intellectuelen


We gaan nu een Bleichje doen. Ik heb haar column overgenomen en enkel de namen gewijzigd. Binnen vijf minuten was ik klaar. Wie een recensie in vijf minuten wil schrijven, hoeft alleen maar de schuingedrukte woorden aan te passen. Een kind kan de was doen.

Een halve eeuw geleden beklemtoonde Charles de Gaulle de noodzaak van een eigen Franse atoommacht (de force de frappe) met het argument dat Frankrijk zich naar alle kanten moest kunnen verdedigen: une défense tous azimuts. Niet alleen tegen de Sovjets, maar zonodig ook tegen de Amerikanen of de Duitsers. De recensie van Bleich van het boek het Arnold Heertje-effect van filosoof en rechtspsycholoog Ron Ritzen roept een sterke associatie op met dat 'tous azimuts'.
Ook Anet Bleich heeft de oorlog verklaard, aan Ron Ritzen. Zij heeft zich ten doel gesteld het gebrek aan goede argumenten te ontmaskeren van Ritzen.
Dat een betrekkelijk bekende publicist als Bleich het aandurft om Ritzen op de korrel te nemen, vind ik getuigen van een aansprekend soort dwarsigheid.
Maar al is de intentie te prijzen, de uitwerking is een droeve mislukking. Haar grootste bête noire is de filosoof Ritzen. Zij is met de auteur in aanvaring geweest over de kwaliteit van media-intellectuelen.* Laat Bleich nu toevallig zo’n media-intellectueel zijn. Het lijkt** een persoonlijke afrekening.
En wat bezielt iemand om de immer genuanceerde Ritzen af te schilderen als een schrijver van een droeve mislukking? Geen slechte oneliner. Maar die mogen toch niet in de plaats van argumenten komen.
Nog een kleine toelichting:
*) Of dat waar is, doet er niet toe. Bleich kwam er ook mee weg.
**) 'Lijkt' is altijd handig. Mocht iemand dat in twijfel trekken, dan kun je altijd zeggen dat je alleen maar hebt geschreven dat het 'lijkt'.

Irrationaliteit als uitgangspunt (Bleich over Het Arnold Heertje-effect 2)

Hokjesdenken

In de recensie in de Volkskrant verkondigde Bleich, zoals gezegd, een fiks aantal onjuistheden over mijn boek. Het leek me wenselijk een en ander te corrigeren en daarom ik stuurde een briefje naar de Volkskrant. Mijn kanttekeningen: mijn boek ging helemaal niet over columnisten; ik heb geen aanvaring met Heertje over de juridische opleiding; ik gebruik wel degelijk argumenten om te bewijzen dat de argumentatie van Truijens niet deugt. (Vooral dat laatste lijkt me nog al fundamenteel als een boek over argumenten gaat.)

Wel, de Volkskrant vindt dat alles niet van belang. Nu is het buitengewoon naïef te veronderstellen dat mijn correctie zin heeft. Elk weerwoord van mijn kant is en blijft per definitie verdacht. En wat kun je verder verwachten als iemand zo irrationeel denkt en schrijft als Bleich.

En bovendien moet ik niet zeuren. Want Bleichs recensie belichaamt precies mijn bezwaren tegen media-intellectuelen. Ze leverde geen enkele inhoudelijke kritiek. Sterker nog, ze vertoonde al trucjes van de media-intellectuelen: val een andersdenkende persoonlijk aan; maak zijn motieven verdacht en breng alle complexiteit terug tot een hapklare mediabrok. En vooral géén inhoudelijke analyse, want dan moet je toch met (een paar) argumenten komen. Precies mijn verwijt aan Heertje en de andere intellectuelen.

Wat ik verder opvallend vind, is dat Bleich – en zij is helaas niet de enige - niet in de gaten heeft dat het bij informele logica niet om inhoudelijke standpunten gaat, maar om de argumentaties die ten grondslag liggen aan die inhoudelijke standpunten. Dat is op z’n minst merkwaardig.

Oei, wat was ze boos (Bleich over Het Arnold Heertje-effect 1)

Wat bezielt iemand om de immer genuanceerde Aleid Truijens af te schilderen als een representant van ‘Geen Stijl voor veertig plus’?”, brieste Anet Bleich in de Volkskrant (16 april 2011). Bleich, die ik overigens in mijn boek bekritiseer vanwege haar belabberde argumentatie (zie p. 118), mocht in de Volkskrant afrekenen met mijn boek: “een droeve mislukking”.
Normaal gesproken moet ik een tekst analyseren om te laten zien in welke passages de drogredenen verpakt zitten. In de recensie van Bleich is de drogreden echter tot uitgangpunt verheven en dat is op zichzelf wel weer origineel. Maar dat compenseert helaas niet de opeenhoping van de aaneengeregen reeks onzinnigheden.
Zelfs bij de titel van de recensie, ‘Tegen columnisten’, gaat het al meteen fout. Columnisten? Tja, daar ging het boek dus niet over. Het gaat over intellectuelen die vaak in de media en het publieke debat domineren. Ze verschijnen in ‘De Wereld Draait Door’, in ‘Het Buitenhof’, in ‘Pauw & Witteman’ en, inderdaad, een aantal schrijft ook columns. Kennelijk was dit detail - het onderwerp van het boek – Bleich enigszins ontgaan. (Maar ze jokt wel vaker, naar het schijnt.)
In de openingsalinea kwam Bleich aanzetten met De Gaulle, die een halve eeuw geleden een pleidooi hield voor een zelfstandige Franse atoommacht. Uhh, ja… wat moet ik over dit omgevallen-boekenkast-weetje zeggen, behalve dan dat deze wijsheid meer dan een kwart van de recensie besloeg? Volgens Bleich roept het pleidooi om zich tegen iedereen te verdedigen een sterke associatie op met mijn boek. Nu weet ik niet wat er in Bleichs hoofd allemaal bij en met elkaar geassocieerd wordt, maar na de eerste alinea was ik in elk geval het spoor al volledig bijster. Ik analyseer argumentaties aan de hand van logica, zoals ik letterlijk op de eerste pagina van het boek schrijf, maar volgens Bleich ben ik mij kennelijk aan het verdedigen of zoiets. Tegen wie eigenlijk? Of wat?
De recensie werd steeds wonderlijker. In de tweede alinea probeerde Bleich het boek in een politiek moeras te duwen. Ik zou de oorlog hebben verklaard aan columnisten (?) uit alle politieke richtingen. Alle politieke richtingen? Dit is een volstrekt irrelevante opmerking, die bovendien ook nog eens onwaar is. Irrelevant, want de politieke signatuur van de lieden die ik bespreek, is mij werkelijk om het even. Het boek gaat over argumentaties. Het gaat om opinieleiders die luid en duidelijk in de media hoorbaar zijn. Dat is het criterium. Maar bovendien is de opmerking ook nog onjuist. Ellian zit (neem ik aan) op de rechterflank en Kluun gaat op de spirituele toer, maar voor de rest zijn de hoofdpersonen toch allemaal linkse vrindjes van Bleich. Of ze behoren tot haar politiek verwante kliekje. Niks alle politieke richtingen.
Maar goed, nadat ik ineens met De Gaulle op schoot zat, bleek ik vervolgens een aanvaring te hebben gehad met Heertje over de kwaliteit van juridische opleidingen. “Laat Ritzen nu toevallig rechtspsychologie doceren aan een hogeschool”. Dat is bijzonder interessant, alleen al vanwege het feit dat een aanvaring met Heertje over de juridische opleidingen op de een of andere merkwaardige wijze mij volledig is ontgaan. Maar al was er sprake van een persoonlijke afrekening (in pakweg 16 pagina’s), dan ligt de vraag toch tamelijk voor de hand waarom ik die andere tweehonderd pagina’s heb geschreven.
Het kan nog erger. Bleich wilde weten wat iemand “bezielt om de immer genuanceerde Aleid Truijens” te bekritiseren. Mijn eerste reactie is dan: lees hoofdstuk 9, want die gaat helemaal over de vreemde gedachtekronkels van Truijens. Het is natuurlijk ieders goed recht om het daar inhoudelijk niet mee eens te zijn, maar Bleich beweert gewoon dat er geen argumenten worden gegeven. Ik gebruik één oneliner en vervolgens krijst Bleich dat dit in de plaats komt van argumenten. Dat een heel hoofdstuk de uitwerking van die oneliner is, blijkt ze over het hoofd te hebben gezien.
Als het boek echt zo’n droeve mislukking is, moet het toch niet erg moeilijk zijn om uit de vijver van pakweg driehonderd kritiekpunten op de media-intellectuelen er ééntje uit te vissen en inhoudelijk aan te tonen dat mijn kritiek niet deugt. Bijvoorbeeld waarom een zekere Anet Bleich in de discussie met Zwagerman de plank niet volledig missloeg. Maar daar had Bleich dus duidelijk geen zin in. Ze ging enkel voor de persoonlijke aanval. En zelfs in de laatste alinea perste ze nog even snel een drogreden uit haar pen met een pot-verwijt-de-ketel-argument.
Mijn boek is een analyse van betogen van intellectuelen waarin voortdurend op de man wordt gespeeld en de feiten worden verdraaid. Hoe ironisch! Mijn boek wordt besproken door iemand die louter op de man speelt en de feiten verdraait.
De kern van het boek is dat deze intellectuelen het publieke debat blokkeren (p. 35), maar voor Bleich is dat allemaal geen belangrijke informatie. Van de 257 woorden, die de recensie telde, gingen er welgeteld 56 over de inhoud van het boek. De rest van haar recensie ging over De Gaulle en probeerde zij mijn zielenleven te analyseren. Is Bleich een recensent of een therapeut? Ik vrees dat ze op alle fronten dan een mislukking is.

De retorisch sterke blunder van Moskowicz


Moskowicz noemde in het Wilders-proces getuige Hendriks een leugenaar. Bovendien beschuldigde hij hem van meineed, omdat hij in de rechtbank iets anders zei dan in de media. Dat deed getuige-deskundige Hans Jansen ook, maar volgens Moskowicz stond Jansen onder ede. Dat is, wat (volgens de advocaat) telt.

In Pauw & Witteman (15 april 2011) wees Hendriks op deze merkwaardige inconsistentie in het betoog van de advocaat. Moskowicz reageerde door te wijzen op een politieke uitspraak van Hendriks over Hamas. Kortom, een antwoord dat kant noch wal raakte.

Analyse. Het gaat hier om twee drogredenen. De eerste is de inconsistentie in de argumentatie van Moskowicz, waarop Hendriks terecht wees. De tweede is de persoonlijke aanval aan het adres van Hendriks.

Retorisch gezien is het echter een sterke zet van Moskowicz. Zijn beschuldiging over de meineed sloeg - juridisch gezien - helemaal nergens op. Toen hij daarmee werd geconfronteerd, bracht hij een volstrekte absurditeit naar voren (in dit geval over Hamas). Met succes, want de aandacht werd in een klap verlegd.

(Experimenten uit de sociale psychologie laten zien dat dit mechanisme werkt. Enkele personen moesten iets stelen en werden daarbij betrapt door de winkelbediende. Op dat moment moesten ze dan een opmerking maken die in die context volstrekt bizar was. Het gevolg was wel dat ze de winkel moeiteloos konden verlaten.)

Sarkozix - nu is ook het tweede deel uit.

Inmiddels is het tweede deel van Sarkozix verschenen. De strip is een heerlijke parodie op Sarkozy en grossiert - net als het eerste deel - weer in een aantal zeer sterke persoonlijke aanvallen. Dit keer is Carla Bruni wat meer prominent in beeld.

Zie hier een pagina...

De effectiviteit van cel- en taakstraffen (15.4.2011)

Mijn stukje van vandaag staat in Trouw (15 april 2011) op de Podiumpagina over cel- en taakstraffen. Het is een kritiek op prof. Verhoeven, die een aantal argumentatieve blunders beging in zijn artikel, dat op 9 april in Trouw verscheen. Helaas, geen hyperlink.
Aanleiding was het kamerdebat met Lilian Helder (PVV).

Gepikeerde Heertje wenst geen spijkers met koppen te slaan

Het befaamde radioprogramma 'Spijkers met Koppen' leek het een aardig idee om met Heertje en ondergetekende te laten discussieren over het boek 'het Arnold Heertje-effect'. Zelf vond ik dat uiteraard een briljant idee.
Een paar jaar geleden beet Heertje me toe dat hij nooit met mij in een publiek debat zou gaan, dus ik was verbaasd dat Heertje er wel over na wilde denken. Maar hij wilde eerst even kijken wat ik had geschreven. Op verzoek van de redactie - neem ik aan - zou ik een boek doorsturen. Helaas had ik nog maar een exemplaar voorradig en die heb naar de redactie van 'Spijkers' gestuurd (want die toonde per slot van rekening belangstelling). Heertje stuurde ik een pdf-uitdraai van het hoofdstuk over hem. Ik stuurde ook nog even een mailtje dat het spul onderweg was.
Foute boel, zo bleek uit zijn reactie op mijn mail. Waarom dat allemaal nodig was..... Hij las geen computerbestanden... Kon me de moeite besparen. Einde verhaal.
Jammer, want het was natuurlijk leuke reclame. Maar er is ook nog andere reden, waarom Heertjes weigering te betreuren is. Heertje is normaliter de aanklager en had kennelijk geen zin om in het beklaagdenbankje te zitten (wat natuurlijk ook zijn goed recht is). Ik was oprecht benieuwd wat zijn weerwoord in die positie zou zijn.
Anderzijds moet ik natuurlijk niet zeuren. Ik verwijt hem een 'hit and run'-strategie en het feit dat hij de discussie uit de weg gaat. Dat is precies wat hier weer gebeurde.
Maar oneindig veel leuker dan een debat met hem, waren de reacties van enkele van mijn studenten op mijn boek: zie de reacties onder het stuk in Punt. Daar kunnen geen vijftig Heertjes tegenop.

Eijffinger vs. de bankeconomen (28.3.2011)


Kredietcrisis (cartoon v. Ritz)



. .

De bijdrage van vandaag verscheen in de Volkskrant. Zie dus daar.

Interview in Trouw (26.3.2011)


Een mooi interview naar aanleiding van het verschijnen van het boek 'Het Arnold Heertje-effect' verscheen in Trouw (26 maart 2011) van de hand van Meindert van der Kaaij.

'Het Arnold Heertje-effect': een 'eervolle' vermelding (23.3.2011)

Op de site van BON (Beter Onderwijs Nederland) wordt onbedoeld reclame gemaakt voor het boek ‘Het Arnold Heertje-effect’ (waarvoor mijn dank). De verwijzing staat in een rubriek ‘Uitspraken van Educraten’ waarin uitspraken van allerlei nitwits en idioten staan vermeld. Tot die categorie behoorde ik al, maar mijn boek krijgt nu een aparte ‘eervolle’ vermelding.

In die blog leveren BON-leden ook commentaar op de educraten, wier voornaamste manco is dat zij een andere mening hebben dan BON. Bij de club houdt men wel van nuance. Zie hieronder de duiding van het onbenul van de Educraten (waartoe ook ik schijn te behoren) door de BONners. Bij elke educraat wordt een aantal citaten opgesomd en daarover gaan de volgende commentaren:

*

Een mooie en tegelijk een intrieste verzameling van denkbeelden van de machtigen en invloedrijken.

*

Ik hoop dat sommige uitspraken uit de duim gezogen zijn. Maar ik vrees dat dat ijdele hoop is....

*

PresleyBergen (bestuurslid van BON): Onlangs zag ik een film waarin buitenaardse wezens die op mensen leken, aardbewoners in hun slaap besmetten. De volgende dag was je een van hen; een persoon met een buitenaardse intelligentie die als doel heeft zoveel mogelijk aardbewoners te besmetten. Hun eigen planeet was verwoest. De uitspraken hierboven, die ik alle ken, lijken zo op elkaar dat ik meer en meer in mijn theorie ga geloven. Ze bevatten een welhaast buitenaardse hardnekkigheid en standvastigheid, ook op de persoon van toepassing. Die mensen reageren buitengewoon vijandig op hen die hun missie trachten te dwarsbomen hun missie van het steeds dommer maken van onze kinderen. Leraren blijken imuun te zijn. Die kunnen gerust gaan slapen. Heeft mijn lerarenopleiding toch nog praktisch nut gehad! En die film, die begrijp ik nu pas.

*

Wat ik eigenlijk wil zeggen: nou ja, wat een stelletje dwazen bij elkaar! Hier is het sociaal-constructivisme volledig tot wasdom gekomen, dit volk heeft veel te veel moderne Franse wijsbegeerte gelezen. -Dit volk is zelfs in letterlijke zin gevaarlijk, volkomen verdwaasd en bovendien zo overtuigd van eigen gelijk dat alleen een klap op het schedeldak -de methode van de oude zenmeesters- een passend antwoord kan zijn.

*

En eerlijk gezegd ontsteek ik ook wel in woede als ik deze verzameling uitspraken lees: inderdaad, mijn vingers jeuken. Dat is geen grap.

*

Ik heb het wel eens vaker, half schertsend, gezegd. Deze mensen nemen wraak. MIddelmatig op school waren ze jaloers op de kinderen die hoge cijfers haalden. Nu ze door een complex van factoren en mechanismen bepalende posities hebben verworven is er slechts wraak. Ze zullen die nerds, die knappe jochies en meisjes wel even terugpakken. Ik geef toe, psychologie van de kouwe grond, maar, dat is veel psychologie, vrees ik. Ik voel je woede zelf ook. Allemaal idioten die beweren dat de wereld plat is en je moet ze niet alleen serieus nemen, maar je bent bijna verplicht om hun dwaalleer nog te bejubelen ook. Alsof je gedwongen word je te bekeren tot de sekte van de platte aarde.

*

Dat mechanisme, de wraak, versterkt tegelijkertijd hun eigen macht. Ze hebben namelijk meelopers genoeg. In Nederland zullen veel mensen er een heimelijk genoegen aan beleven als die slimme jongen in de klas nog eens op zijn plaats gezet wordt. Als hij nu eens de mindere is en geen kant meer op kan. De kop boven het maaiveld is alleen toegestaan in gebieden waarin iedereen denkt dat hij zelf ook kan komen. De voetballer bijvoorbeeld. Elk jochie van de straat, elk kind waar ze vroeger in de klas wel mee omgingen, kan rijk worden met voetbal. Maar ze hebben een enorme afstand tot mensen die slimmer zijn dan zij zelf. Die hoorden er op het schoolplein niet bij en nu is er de wraak, de definitieve afrekening.

*

Ik vrees dat '45 het met deze cynische analyse he-le-maal bij het rechte eind heeft. In onze egalitaire samenleving heerst een terreur van de middelmaat waar onze Ronald, met zijn verlegen boodschap dat 'excelleren' geen vies woord meer moet zijn, niets tegen kan beginnen.

*

Ik ben ontsteld, zoveel nitwits, zoveel stratificatie, flabbergasted. Dit is oorlog. Zo voorspelbaar ook, en ofschoon de geschiedenis zich nooit herhaalt, trekt zij parallele sporen voor wie ze zien wil. Het doet me ergens aan denken, de jaren dertig.

*

Quip uit een cabaret in München, het was 1935 : het licht in de zaal ging plotseling uit. Commentaar : dat ligt niet aan het licht, het ligt aan de leiding. De SS heeft de cabaretier afgevoerd naar het concentratiekamp.

*

Zowat 1924 was hoogtij van de genotvolle, corrumperende samenleving, de twintiger jaren. Die dyonisische exhibitie was het gevolg van WO-1, op zichzelf de explosie van de niet meer houdbare verhouding tussen de regenten van dominerende landen, en hun bevolking. Out of touch, zeggen we vandaag, er zijn vergelijkbare situaties nu. Vijf jaar later, 1929, ontbrandde de crisis. Weer vijf jaar later, 1934, begon Baldur von Schirach aan zijn zegenrijke omvorming, lees indoctrinatie, van de duitse jeugd, de resultaten kennen we.

*

WO-1 en WO-2 waren geen breuken in de geschiedenis. Wat in onze tijd gebeurt, 1980 tot nu, tot 2020, is dat evenmin. Het een volgt uit het ander. Weliswaar is de indoctrinatie meer geinstitutionaliseerd, maar de moeder ervan is dezelfde, de apostelen haar trouwe overtuigde discipelen, en ze worden er bovendien goed voor betaald. Waan. Er zijn geen wezenlijke verschillen met 1900, 1914, 1919, de crisis jaren, 1933 en daarna. Het is dezelfde muziek, met andere woorden. Hou je vast, de storm is nog niet voorbij, het wordt nog erger.

*

Hoe veel decadenter kan een samenleving nog worden wanneer uitgerekend haar onderwijsbobo's opzichtig afstand nemen van de rationaliteit? Huiveringwekkend.

*

Dank voor dit overzicht jl. Het wordt een fikse verzameling zo. Misschien kun je bij volgende veranderingen typografisch aangeven waar de nieuwe uitspraken staan. Het zou me zeer helpen de nieuwe onzin tussen de oude l@lk*@k te vinden.

*

Halfwaardetijd van l@lk*@k

*

over Sjoerd (Slagter, RR.)“een nul die praat over andere nullen alsof het negens zijn, in de hoop zelf aanzien te worden als een zeven en een half”