Heertje en de PvdA (31.1.2011)

“Ook landelijke maakt de inspectie eindelijk ernst met het herstel van de kwaliteit van het onderwijs in rekenen en taal. Het was hard nodig na de jarenlange verloedering onder het bewind van Van Kemenade, Wallage, Netelenbos en Plasterk”, aldus prof. Heertje in zijn RTLz-column.
Analyse. Heertje wijst in zijn stuk alleen naar vier PvdA’ers. Maar de afgelopen vijfentwintig jaar kwamen slechts twee ministers uit PvdA, namelijk Plasterk en Ritzen. De VVD leverde Hermans aan, maar het CDA was hofleverancier met Deetman (3x), Van der Hoeven (3x) en Braks. In de afgelopen negen kabinetten leverde de PvdA drie keer de staatssecretarissen.
Terzijde (en natuurlijk heel flauw): Heertje klaagt regelmatig over het slechte taalgebruik van leerlingen en leraren. Grappig om in zijn eigen column het volgende aan te treffen:
“Gelukkig houd de inspectie…”
“Scholen die zwak zijn in rekenen en taal omdat de onderwijzers zwak zijn in rekenen en taal…”
“…met bekwame docenten leerlingen op een bereed terrein…”
“Ook landelijke maakt de inspectie…”

Beertema (PVV) over de HBO-Raad (28.1.2011)

PVV-Kamerlid Beertema leit weten dat de onderwijskoepels als de MBO-raad en de HBO-raad andere voorzitters moet zoeken als ze nog zaken willen doen in Den Haag. Volgens hem zijn “de PVV, maar ook de VVD helemaal uitgekeken op al die linkse types” (Vk, 27.1.2011).

De voorzitter van de MBO-raad, Jan van Zijl, en de onlangs aangetreden voorzitter van de HBO-Raad, Guusje ter Horst, komen allebei uit de gelederen van de PvdA. Beertema: “De onderwijskoepels snappen het nog steeds niet. Er waait hier een andere wind. Maar de linkse banenmachine spuwt nog steeds allemaal van die linkse types uit die op die voorzittersfuncties terechtkomen. Al die mensen hebben bij ons, de PVV, maar ook bij de VVD nul draagvlak en nul ingang. Als ze zaken willen doen, moeten ze eens naar andere voorzitters omkijken.”

Ter Horst stuurde begin dit jaar Beertema een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek, maar de PVV'er sloeg die af. In zijn antwoord hekelde Beertema Ter Horsts voorganger Doekle Terpstra. Beertema stelt: “Ik heb begrepen dat mevrouw Ter Horst tot dezelfde verzetsbeweging behoort als de heer Terpstra, dus ik ga er vanuit dat zij het beleid van haar voorganger ongewijzigd zal voortzetten. Daarom zie ik voorlopig geen aanleiding om nader kennis te maken.”

Analyse. Het gaat er dus niet om wat Ter Horst inhoudelijk vindt van het hoger onderwijs. Beertema wenst daarover niet eens geïnformeerd te worden. Zij komt uit dezelfde ‘verzetsbeweging’ als Terpstra, dus zij denkt hetzelfde als Terpstra. Dit standpunt is in zoverre opmerkelijk, omdat Terpstra een prominent CDA’er is en Ter Horst een prominent PvdA’er.

De zaak-Henk H. (27.1.2011)

prof. dr. Ton Derksen

Gisteren, 26 januari 2011 heeft de CEAS, de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, haar licht laten schijnen op de zaak-H.. Na twee jaar onderzoek concludeert de commissie dat de zaak-H. niet wordt heropend. H. zou de 37-jarige Pim Overzier naar een homo-ontmoetingsplaats hebben gelokt. Het lichaam van Overzier zou later vlak bij die plek worden gevonden. H. kreeg in 2004 twintig jaar voor die moord. Maar volgens oud-hoogleraar Ton Derksen is het niet aannemelijk dat de kleinere en lichtere H. Overzier had kunnen vermoorden én verslepen. Geert-Jan Knoops, advocaat van H., deelt die mening: zijn cliënt te klein en te tenger zijn om Overzier te kunnen overmeesteren zonder sporen van geweld achter te laten. Maar volgens de commissie verschilden zij slechts vijf centimeter in lengte, in plaats van ruim twintig.
Er werden enkele reconstructies van de moord en het slepen uitgevoerd, waaruit zou blijken dat H. fysiek niet in staat was tot de moord. Die commissie was niet onder de indruk van deze reconstructies. H. zou bijvoorbeeld weten dat het voor hem handig was om op een bepaalde manier te reageren.
In het lijvige rapport kunnen we op p. 390 lezen dat “de reconstructies plaatsvonden op een tijdstip 6/7 jaar na het overlijden van Pim. Dat impliceert naar de mening van het driemanschap dat de bevindingen van de reconstructies niet zonder meer één op één naar 2001/2002 ‘overgeheveld’ kunnen worden. Het gemak waarmee prof. Derksen stelt dat de kracht van een 62-jarige doorgaans niet zeer verschillend is van de kracht van een 56-jarige, mist elke wetenschappelijke onderbouwing. Het driemanschap deelt deze mening van prof. Derksen niet.”
Die laatste zin is merkwaardig. Als de commissie als argument opvoert dat een claim “elke wetenschappelijke onderbouwing” mist, dan zou de conclusie van de commissie moeten zijn dat we eenvoudigweg niet weten of een 56-jarige evenveel kracht heeft als een 62-jarige. Door te stellen dat de commissie het standpunt van Derksen niet deelt, geeft het driemanschap te kennen de claim inhoudelijk af te wijzen. Maar ook de commissie heeft hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing.

Poch, Witteman, Knoop en de maximaal redelijke strategie (26.1.2011)

Oud-Transaviapiloot Julio Poch wordt ervan beschuldigd betrokken te zijn bij de zogenaamde “dodenvluchten”. Hij zou vliegtuigen hebben bestuurd van waaruit honderden gevangenen naar beneden zijn gegooid. Deze moorden vonden plaats onder het regime van de Argentijnse dictator Jorge Videla in de jaren 80 van de vorige eeuw.

Transaviapiloten Reijnoudt Brouwer en Weert waren zeven jaar geleden op Bali, waar ze Poch spraken over het regime van Jorge Videla. Poch zou gezegd hebben: “We threw them in the sea.” Volgens Witteman is ‘we’ de crew van het vliegtuig, maar volgens Knoops kan ‘we’ ook in de overdrachtelijke zin zijn bedoeld.

Wat te denken van deze twee interpretaties? Als je de maximaal redelijke strategie als uitgangspunt neemt, dan dien je uit te gaan van de interpretatie van Knoops. ‘We’ staat dan niet voor de crew, maar de Argentijnen. Als we zeggen dat we in 1988 het wereldkampioeschap hebben gewonnen, dan bedoelen we niet ‘ik en mijn medespeler’, maar het Nederlands elftal, dat in 1988 speelde.

Een dergelijk uitgangspunt doet ook recht aan de onschuldpresumptie.

Richards, Jagger en de persoonlijke aanvallen (25.1.2011)

Dat het de afgelopen dertig jaar niet erg boterde tussen Mick Jagger en Keith Richards was al lang bekend. In zijn fantastische autobiografie ‘Life’ komt de inmiddels zesenzestigjarige musicus er uitgebreid op terug. Nadat Richards naar eigen zeggen ‘clean’ was, begon hij zich met de wat meer zakelijke aspecten van de Stones te bemoeien, maar Jagger poeierde hem steevast af met persoonlijke aanvallen van het kaliber “Shut up. What do you know?” Richards voelde zich beledigd en schreef op zijn beurt dat Brenda, zoals hij Jagger noemde, leed aan het LVS, het Lead Vocalist Syndrome. Jagger kreeg in de ogen van Richards te veel spatjes.

Wilders en de persoonlijke aanval (24.1.2011)

Volgens politicoloog André Krouwel (VU) trekt de PVV geen toppolitici, omdat op de partij een taboe rust. Daardoor heeft de PVV moeite om geschikte kandidaten voor een politieke functie te vinden. Nu trekt de PVV volgens hem vooral mensen uit het middenkader. “De partij is geen establishment en staat te boek als behoorlijk extreem. Onder de kandidaten bevinden zich ook veel gelukszoekers, die een grote mond hebben. Ze ergeren zich aan iets en zullen dat in de politiek wel eens duidelijk maken.”

Wilders kwalificeerde de uitspraken van Krouwel als ‘onzin’. Hij voegde daar het volgende aan toe: “Zoals we van hem als PvdA-lid gewend zijn. Het is een beetje laf dat hij zijn politieke voorkeur steeds verzwijgt.”

Analyse. Wilders maakt zich schuldig aan een directe persoonlijke aanval. Krouwel verkondigt volgens Wilders wel vaker onzin en is bovendien laf. Met de verwijzing naar Krouwels lidmaatschap van de PvdA maakt Wilders zich schuldig aan een indirecte persoonlijke aanval.

Wat Krouwel verkondigt wijkt overigens niet af van hetgeen Afshin Ellian enige tijd geleden beweerde: “De burgers weten dat het voor Wilders niet makkelijk is geweest om een kandidatenlijst samen te stellen. Hoe komt dat? Omdat weinig burgers bereid zijn om op de lijst van Wilders te gaan staan. En dat komt door het maatschappelijke klimaat. Wie op de lijst van Wilders komt te staan, moet bijna bereid zijn afstand te doen van zijn normale leven.”

And now something completely different (21.1.2011)

Op de site ‘webcijfers’ werd deze blog genadeloos beoordeeld. Op een schaal van 10 scoorde deze blog een 0,7. Da’s dus niet echt goed.

Eerst iets over die site ‘webcijfers’. “Hierbij word (sic) vooral gekeken of de inhoud van de site overeenkomt met de meest belangrijke elementen zoals de beschrijving, meta tags, links, headers etc”. Wat heeft men onderzocht? “Dit raport (sic) is gegenereerd over de voorpagina van drogredenen.nl”

Eerlijk gezegd snap ik niet zo veel van 'webcijfers'. Zo kunnen we op de site het volgende lezen: “De Titel (sic) is het eerste wat iemand ziet als iemand een website zoekt. Geloof het of niet maar een behoorlijk aantal pagina's bevatten geen titel.” De maximale score is 100%; ik kreeg 0%. Met de karakters is ook iets mis, lees ik. “De meta beschrijving van deze pagina is 1 kakakters (sic) lang”. Oh.

“De headers hebben een 0 % overeenkomst met de text (sic).” Ah

Met de inhoud is het ook niet best gesteld, want kennelijk weet ik niet wat drogredenen zijn. “De titel van een website behoort ee (sic) deel van de lading van een pagina te dekken. De overeenkomst tussen de titel van deze pagina en de inhoud is 0 %.” Zozo…

Verder bevat mijn pagina slechts 1 woord: “Een ideale pagina bevat tussen de 400 en 600 woorden. Volgens onderzoek is dit het beste aantal woorden om een verhaal duidelijk te maken zonder de aandacht te verliezen. Op deze pagina staan 1 woorden.” Ik dacht toch echt iets meer ingeklopt te hebben.

Maar het wordt nog erger: “ 0 headings geveonden (sic) op de pagina met de volgende texten (sic). Geen headings gevonden !” En mijn server ligt kennelijk in Nigeria of zoiets. Ook niet goed.

Verder zijn er nog wat gratis adviesjes. Wat te denken van deze: “Hoe meer revante (sic) pagina's naar jou (sic) site linken des te beter zal jou pagina het over het algemeen doen.” En uiteraard zijn ze bereid - ongetwijfeld tegen een aardig bedrag - om deze site tot een succes te maken.

Ik - op mijn beurt - wil de site webcijfers nomineren voor De Vinger. Dat wil zeggen, de middelvinger.

Heertje en de staat van het onderwijs (20.1.2011)

“Samen met de zgn. onderwijsdeskundigen Hans Luyten en Jan van Ravens heeft Scheerens een rapport gepubliceerd waaruit moet blijken dat Nederlandse jongens en meisjes bij basisscholen en bij het voortgezet onderwijs goed kunnen rekenen en schrijven, lezen, hun talen spreken en schrijven en allemaal zonder sjoemelen eindexamen doen, vergeleken met hun leeftijdgenoten uit andere landen”, aldus prof. Arnold Heertje in één van zijn columns (Rtl.z, 18 jan. 2011). Dat rapport deugt niet. Heertje: “Zij hebben geen weet van wat er op de werkvloer van het onderwijs gebeurt, zijn niet op de hoogte van de vele onbevoegde docenten en van het verwateren van het diploma door schoolexamens en zgn. profielwerkstukken.”

Het rapport van het drietal van de afdeling onderwijsorganisatie en –management “maakt duidelijk hoe slecht het in Twente bij de Universiteit Twente is gesteld met onderwijs en onderzoek.”

Analyse. In zijn column beperkt prof. Heertje zich tot een persoonlijke aanval. De ‘zgn.’ deskundigen weten niet wat er speelt op de werkvloer. Op de vraag wat er inhoudelijk niet aan het rapport deugt, geeft hij geen antwoord.

Het rapport deugt niet, zo moeten we op zijn gezag aannemen, en dat maakt dan ook duidelijk hoe slecht de Twentse universiteit is. Heertje maakt zich schuldig aan de drogreden van de overhaaste generalisatie.

BON, Presley Bergen en de staat van het onderwijs (19.1.2011)

Volgens enkele Twentse onderzoekers, waaronder prof. Scheerens, gaat het behoorlijk goed met het Nederlandse onderwijs. Dat onderzoek kan Presley Bergen, de welbespraakte woordvoerder van BON, niet overtuigen (Website BON, 15.1.2011): “Ik zal maar weer eens reageren. In de debatten die ik de afgelopen jaren namens BON deed, kwam ik dit soort onderwijskundigen met hun onderzoeken regelmatig tegen. ‘We staan in de top’ en ‘we doen het prima’ waren en zijn de geijkte weerleggingen. Maar onderzoek uit niet-verdachte hoek (dus niet van bekende vernieuwers) werd nooit serieus genomen. Hun eigen onderzoek, dat was het. Vandaag vertelde ik aan een journalist van Radio 2 dat BON het steeds een beroep doen op die scorebordkwaliteit zat is. Vraag aan het bedrijfsleven, ouders, vervolgopleidingen, studenten, leraren wat ze van ons onderwijsniveau vinden, en trek dan conclusies. Vraag aan organisaties die internationaal opereren wat ze van ons onderwijs vinden. Vraag ook aan de heren uit Twente hoeveel procent op de universiteiten een buitenlandse AIO is. Vraag ook hoe dat komt. Ga na wat de heren onderzoekers dagelijks doen en je weet voldoende. Wat leraren, leerlingen en studenten en ouders elke dag meemaken, KAN NIET WAAR ZIJN. ‘Meten is weten’ maar wat je niet wilt weten, hoef je ook niet te meten, niet waar. Vraag aan Greetje van de Werf, hoogleraar Onderwijzen en Leren aan de Universiteit Groningen wat zij vindt van het Nederlandse Onderwijs en je hoort een ander verhaal. Laten we in beide gevallen dus maar naar de praktijk kijken en de conclusie is duidelijk. Het is overigens wel veelzeggend dat Nederlandse onderzoekers het onderwijsniveau fantastisch vinden zelfs als leerlingen hun eigen taal niet beheersen en zij niet kunnen rekenen. Dat de onderzoekers spelling niet belangrijk vinden, wordt duidelijk als je het onderzoek leest: er staan veel grove spel- en taalfouten in. Maar met al die cijfers in het onderzoek, ziet het er wel indrukwekkend uit, toch?”

Analyse. Hier spreekt het ‘Magische Oog’: als je maar goed kijkt, zie je wel dat het onderwijs niet deugt. Het onderzoek van Scheerens hoef je dan ook niet meer inhoudelijk meer te bekijken. “Laten we maar naar de praktijk kijken en de conclusie is duidelijk”, is het adagium van Bergen.

Let ook op het retorische trucje: zo wordt ‘onderzoek uit niet-verdachte hoek’ gekoppeld aan ‘niet onderzoek van bekende vernieuwers’. Bergen heeft nog steeds niets bewezen.

Ook het andere ‘bewijs’ is niet overtuigend. De verwijzing naar wat anderen zeggen, is erg makkelijk. In feite kan hij alles ‘bewijzen’ door enkel te verwijzen naar wat ‘anderen’ zeggen. Wie die anderen zijn, blijft verder in het ongewisse.

Vervolgens lanceert Bergen nog een persoonlijke aanval: de onderzoekers staan niet open voor andermans standpunten. In het rapport staan bovendien veel grove taal- en spelfouten. Maar wat zegt dit over de inhoudelijke analyse van de onderzoekers? Klopt een conclusie ineens niet als ergens in het betoog spel- en taalfouten staan?

Bergen verwijt de onderzoekers die een positief beeld over het onderwijs schetsen, dat ze niet openstaan voor ander onderzoek.

Erasmus, Etty en de proestende hoogleraar (18.1.2011)


"Aan de Vrije Universiteit doceert een bijzonder hoogleraar in de literaire kritiek, wier recensies door een hoogleraar moderne letterkunde in Nijmegen proestend aan zijn studenten worden getoond als voorbeelden van hoe het niet moet." Hieruit blijkt volgens Peters (Vk, 15 januari 2011) de actualiteit van Erasmus' Lof der Zotheid, maar m.i. lanceert Peters gewoon een verdekte persoonlijke aanval op Elsbeth Etty.

Trix, Ellian & Lubbers (17.1.2011)

“Lubbers, een gevolmachtigde lakei van de vorstin, is diep verontwaardigd dat ondergetekende, een nederige onderdaan, zijn lieve koningin lekker huiselijk ‘Trix’ noemde”, weet prof. Ellian. Maar hij weet nog meer: “Was Ruud Lubbers in zijn reactie vorige week op mijn kritische tekst over de kersttoespraak van de koningin echt geraakt vanwege het koosnaampje Trix? Nee, maar ik raakte per ongeluk wel een open zenuw: het christen-democratische establishment, dat over nog maar eenderde van het CDA beschikt.” (Nrc, 14 jan. 2011).

Eerder bekritiseerde Ellian kersttoespraken van de koningin. “Lubbers hoorde ik toen niet. Maar nu gaat het om de regenten van dat eenderde deel van het congres van het CDA. Die hebben korte lontjes. Die regenten zijn boos en giftig omdat ze niet alleen door een meerderheid in de Kamer, maar ook door 68 procent van hun eigen partij worden genegeerd.”

Analyse. Lubbers’ kritiek op Ellian is te wijten aan Lubbers korte lontje. Zijn gif en boosheid doen de rest. En daarmee lanceert Ellian zijn zoveelste persoonlijke aanval.

De uitglijder van Kluveld (14.1.2011)

Op de laatste dag van 2010 perste Armanda Kluveld er nog een drogredentje uit. In haar stukje ‘Niet meer piepen over de toon van het debat’ ging ze in op de toon van het debat.

“Laat ons voortaan verschoond blijven van verwijzingen naar 'de toon van het debat' . Wanneer er geen inhoudelijke argumenten voorhanden zijn, of het niet lukt om op basis van argumenten het debat te winnen, wordt 'de toon van het debat' ingebracht. Die zou te hard, rancuneus of polariserend zijn. Verwijzingen naar 'de toon van het debat' worden gepresenteerd alsof het inhoudelijke conclusies betreft, waaraan een diepgaande analyse vooraf is gegaan. Jetta Klijnsma (PvdA) beweerde: Dus als de toon anders was, zouden er geen bezuinigingsvoorstellen zijn? Zijn de voorstellen daarom verkeerd? Klijnsma legt het niet uit. Ze maakt zich er vanaf met, vergeef me de toon, gezeur.” (Vk, 31 dec. 2010)

Analyse. Kluveld schuift Klijnsma de redenering in de schoenen:

(1). Als de toon van het debat over kunst en cultuur wordt steeds killer, dan vloeien daaruit de gigantische bezuinigingsvoorstellen voort die dit kabinet heeft bedacht.

(2). Daaruit volgt dan dat als de toon van het debat over kunst en cultuur niet killer wordt, er ook geen bezuinigingsvoorstellen zouden zijn.

De tweede propositie zou dan uit de stelling van Klijnsma volgen.

Het punt is nu dat die tweede propositie helemaal niet uit de eerste is af te leiden, want de redenering ((als a, dan b) en niet-a) dus (niet-b)) is niet geldig. Maar Kluveld doet nu net alsof volgens Klijnsma (2) wel uit (1) volgt en vervolgens valt ze Klijnsma daar mee aan.

Kluvelds kritiek gaat alleen op als Klijnsma stelling twee letterlijk zou hebben gezegd. Kluveld suggereert dat wel “Jetta Klijnsma beweerde….”, maar uit het vraagteken blijkt dat dit een vraag van Kluveld is.

Kwakzalverij 4 (13.1.2011)

Kritiek was er natuurlijk ook. Een acupuncturist stuurde in brief: “Frits van Dam schrijft in de discussie over acupunctuur en moxa als remedie tegen stuitligging bij ongeboren baby's dat je op je klompen kunt aanvoelen dat dit onzin is. Hoe het komt dat sommige wetenschappers dit soort emotionele kreten gebruiken is mij een raadsel. Misschien verdient dit raadsel eens een wetenschappelijk onderzoek.” Van Dam lichtte nu juist toe waarom het volgens hem onzin is.

Dr. Bram Kuiper, directeur Helen Dowling Instituut (HDI), vond dat Van Dam met zijn verrassende opmerking over HDI (‘dit instituut bedrijft psycho-oncologische kwakzalverij’) de plank misslaat. “Onze intenties noch onze methoden hebben een alternatieve of kwakzalverige inhoud. Het Helen Dowling Instituut helpt mensen met kanker en hun naasten op een professionele manier de ziekte emotioneel te verwerken. Wij kunnen mensen absoluut niet genezen van kanker en er ook niet voor zorgen dat ze langer leven. Dat maken we duidelijk in woord en geschrift. Tussen iemands psyche en het ontstaan en/of de beloop van kanker bestaat naar onze opvatting geen relatie. Voor genezing en overleving moeten patiënten niet bij ons zijn, maar bij hun medisch specialist.” (NRC, 3 jan. 2011)

Dr. Adriaan Visser, psycholoog en onderzoeker op het terrein van psycho-oncologie, was verbonden aan het Helen Dowling Instituut, stelde dat “Frits van Dam weet dat het Helen Dowling Instituut zich verre heeft gehouden van de hypothese dat psycho-sociale factoren van invloed zijn op het ontstaan van kanker.”

Maar op de website van HFI las ik onder meer het volgende:

De invloed van vele factoren zijn in de studies onderzocht, met name het meemaken van stressvolle levensgebeurtenissen in het algemeen en het verlies van een nabijstaande in het bijzonder, sociale steun, het vaak ervaren van negatieve emoties en/of psychologische klachten (‘distress’), het lijden aan een psychiatrische aandoening, (non)expressie van emoties, manier van omgaan met moeilijke situaties (coping), persoonlijkheidsfactoren in het algemeen en ‘locus of control’ (wie/wat bepaald naar je eigen idee jouw leven) in het bijzonder.
In de meeste studies werd wel een relatie gevonden tussen een psychologische factor en het onstaan of beloop van kanker. Dat lijkt helder, maar de bevindingen waren echter niet consistent. Dat wil zeggen. een factor A die in de ene studie een effect bleek te hebben, had dat niet in een andere studie, waarin factor B van belang bleek. In weer een andere studie bleek factor B niet van belang, maar factor C.

Op grond van de huidige stand van zaken moeten we concluderen dat er geen enkele factor is waarvan het effect onomstotelijk is vastgesteld in een serie studies. Met de nodige voorzichtigheid kunnen we stellen dat er aanwijzingen bestaan dat de neiging tot hopeloosheid of pessimisme en het niet uiten van negatieve emoties bijdragen aan een ongunstig beloop van kanker en dat het ontkennen of het minimaliseren van de impact van kanker, opvallend genoeg, een positief effect heeft. Enige aanwijzingen, maar minder overtuigend, bestaan er ook voor het gunstige effect van veel sociale steun en getrouwd zijn, en voor het ongunstige effect van het overlijden van je partner of je kind.

De invloed van stressvolle levensgebeurtenissen in het algemeen, distress niveau, psychiatrische stoornissen, een actieve copingstijl, locus of control en andere persoonlijkheidseigenschappen is minimaal of afwezig, of de bevindingen zijn voor deze factoren tegenstrijdig.

De belangrijkste reden voor het beperkte resultaat lijkt te zijn dat doorgaans alleen de invloed van afzonderlijke factoren werd onderzocht. Het lijkt zinvoller en meer belovend om het interactieve effect van meerdere psychologische factoren, en van psychologische factoren met demografische en biomedische risicofactoren te onderzoeken. Dan zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat een effect alleen is te vinden bij mensen die veel belastende situaties hebben meegemaakt, weinig sociale steun ervaren en geneigd zijn moeilijke situaties te vermijden, of alleen bij mannen die hun partner verliezen, of alleen bij depressieve rokers. Enige aanwijzingen voor het belang van dergelijke interactieve effecten zijn inmiddels gevonden (Garssen en Goodkin, 1999).


Ook stond er dit:

“Er zijn ook studies verricht naar het effect van interventies op het ziektebeloop, maar dat zijn er heel wat minder. Tot nu toe zijn er zes gecontroleerde studies op dit gebied gepubliceerd. In drie studies werd een langere overlevingsduur gevonden bij patiënten die hadden deelgenomen aan een psychologische interventie in vergelijking met een geen-interventie groep (Spiegel et al., 1989; Fawzy et al., 1993; Kuchler et al., 1999). Drie andere studies vonden echter geen effect (Cunningham et al., 1998; Edelman et al., 2000; Goodwin et al., 2001). Omdat deze laatstgenoemde drie studies van recente datum zijn, wordt algemeen gesteld dat psychologische interventies waarschijnlijk geen invloed hebben op het ziektebeloop (= kwantiteit van het leven).
Een nieuwe en interessante benadering is recent geïntroduceerd door Cunningham et al. (2000). Hun uitgangspunt was dat sommige mensen met kanker wel en andere niet op psychologische hulp reageren met het bewerkstelligen van essentiële veranderingen in hun leven. De auteurs concluderen op grond van hun studie dat de overlevingsduur langer was naarmate mensen met kanker zich actiever bezig hielden met de toepassing van zelf-hulp methodes die door de therapie werden aangereikt.”

Kortom, zowel Visser als Kuiper hebben wat uit te leggen.

Kwakzalverij 3 (12.1.2011)

Van Dam kreeg bijval van Gerard te Meerman, universitair hoofddocent bio-informatica en statistische genetica aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (NRC, 4 jan. 2011). “Tussen wat oprechte waanzin is en wat betrouwbaar uit empirische observatie kan worden afgeleid, bestaat een glijdende schaal. Ook als waarnemingen volgens een kansmodel een kleine kans van voorkomen hebben, kunnen ze toch geheel te wijten zijn aan toeval, zoals Lucia de Berk tot haar grote schade heeft ondervonden. Pas als de alternatieve hypothese dat er een oorzaak-gevolgrelatie is een zekere mate van plausibiliteit heeft, kun je op grond van statistiek geloof hechten aan die hypothese. Dat acupunctuur met moxa enige invloed op het spontaan terugdraaien van een in stuit liggend kind zou kunnen hebben, behoort tot de a priori erg onwaarschijnlijke hypothesen - zo misselijk kun je van dat onaangenaam ruikende goedje ook niet worden.”

Maar ook Meerman gaf een eigen draai aan het verhaal van Van Dam. “Wat Frits van Dam terecht bekritiseert, is dat het onderzoeken van buitengewoon onwaarschijnlijke hypothesen niet thuishoort op de universiteit, vooral niet als er geen schijn van mogelijkheid is om dieper inzicht te krijgen. Wat Hunink en haar collega's doen, is onderzoek naar het onwaarschijnlijke en misbruik van statistische argumenten presenteren als voorbeeld van wetenschappelijke openheid. Daarmee is niemand gediend.” (NRC, 4 jan. 2011). Maar Van Dam had het in het artikel nergens over dat onderzoek van onwaarschijnlijke hypothesen niet thuishoren op de universiteit.

Kwakzalverij 2 (11.1.2011)

Van de Berg reageerde onder meer met hoogleraar Hunink op de aantijging van Van Dam. Ze begonnen met het vertekenen van het standpunt van Van Dam: “Hij lijkt als volgt te redeneren: 'ik begrijp het werkingsmechanisme van de behandeling niet, dus kan het niet werken'. Daarmee wordt alle informatie uit wetenschappelijk onderzoek die op dit gebied wordt verkregen, bestempeld als onzin.” Maar dat is nu juist niet wat Van Dam zei. Die wees erop dat er onbetrouwbaar onderzoek was opgenomen in het proefschrift.

Daarna ging het drietal verder met het opzetten van de volgende stroman. “De opstelling van Van Dam komt erop neer dat je een medische behandelingsmethode uitsluitend moet uitproberen, als je van tevoren kunt beredeneren hoe de methode werkt.”

“Van Dam beweert dat het enige degelijke onderzoek ‘voor het gemak is weggelaten’. Hij verwijst naar de studie van Guittier, eind 2009 gepubliceerd. Onze meta-analyse is begin 2008 gepubliceerd - zegt dat voldoende?” Dat zegt helemaal niets. Van den Berg promoveerde december 2010, dus de vraag blijft waarom ze dat onderzoek uit 2009 niet alsnog had opgenomen. Maar volgens het drietal was er geen vuiltje aan de lucht. “Vijf van de zes artikelen in het proefschrift zijn gepubliceerd in peer-reviewed, internationale, wetenschappelijke tijdschriften. Het zesde artikel is under review. Het proefschrift is positief beoordeeld door de promotiecommissie. Van den Berg heeft het proefschrift verdedigd in een openbare zitting, tegenover een commissie van elf wetenschappers.”

Reekers, hoogleraar interventieradiologie AMC, zette ook bij dit verweer terecht enkele vraagtekens. “Van de geanalyseerde studies zijn er drie gepubliceerd in een tijdschrift voor traditionele Chinese geneeskunde, één in een obscuur internettijdschrift en één in een respectabel tijschrift (BJOG). In deze laatste publicatie echter werd geen voordeel gezien van acupunctuur ter voorkoming van stuitligging. Voor elke literatuuranalyse geldt altijd dat de kwaliteit zo goed is als je brongegevens: als de bron niet deugt dan is de review ook van geen enkele waarde. Blijft over het eigen onderzoek van het Erasmus MC. Bijna al het onderzoek van de Erasmusgroep is gepubliceerd in Complementary therapies in Medicine, het internationale lijfblad van de alternatieve geneeskunde. En ten slotte werd hun belangrijkste onderzoek financieel ook nog ondersteund door de Nederlandse vereniging voor Acupunctuur.” (NRC, 8 jan. 2011)

Ook Van Dam reageerde met een ingezonden brief: “Een jaar vóór het proefschrift verscheen een Zwitserse studie waarin geen effect werd gezien van moxatherapie. Dat ze deze belangrijke studie nergens noemen is een raadsel, het had makkelijk gekund. Doe je deze studie er wel bij, dan valt het verschil tussen moxatherapie en controles vrijwel weg. Conclusie: het werkingsmechanisme van moxatherapie is biologische onzin, en de klinische studies laten in feite zien dat het niet werkt.” (NRC, 8 jan. 2011)

Maar Hunink en Van den Berg zien zichzelf als lieden met "een open mind, but not so open that the brains fall out. Van Dam begrijpt niet hoe het werkt, dus kan het volgens hem niet werken.” Weer fout. Van Dam schreef dat nergens.

Kwakzalverij 1 (10.1.2011)


Frits van Dam, secretaris van de Vereniging tegen Kwakzalverij, opende op de drempel van het nieuwe jaar, een opiniestuk met de volgende alinea: “Tien miljoen euro is te besparen bij bevallingen door het opwarmen van de kleine teen. Dat was de inhoud van een persbericht van het Erasmus Medisch Centrum. Zijn ze daar het spoor bijster? Ja. Hier wordt aan een gerenommeerde universitaire instelling kwakzalverij van de hoogste orde bedreven.”
Wat was er aan de hand? Bij zo'n 5 procent van de bevallingen in Nederland komt een stuitligging voor. Meestal wordt geprobeerd om het kindje handmatig te draaien, maar dat lukt niet altijd. Het alternatief is dan dat een keizersnede wordt toegepast. Jaarlijks kost dat tien miljoen euro.
In China past men de Moxa-therapie toe. Gedurende een of twee weken wordt een acupunctuurpunt op de kleine teen van de moeder met de rook van bijvoetskruid opgewarmd. Hiermee zou het merendeel van de 'stuitbaby's' in de juiste houding te draaien zijn.
“Je kunt op je klompen aanvoelen dat dit onzin is. Op het Erasmus MC denken ze daar anders over. Daar is fysiotherapeut Ineke van den Berg-de Lange onlangs gepromoveerd op een literatuuroverzicht over de Moxa-therapie en stuitligging. En ja hoor, zij concludeert dat het werkt: 54 procent minder keizersneden. De baby draait zich alsnog in de juiste stand. Volgens dr. R.J.P. Rijnders, gynaecoloog in het Jeroen Bosch Ziekenhuis, is men er in verloskundig Nederland enthousiast over: de Moxa-therapie is onderzocht en het werkt. Niet dus.”
Van Dams grief is dat in het proefschrift nergens aannemelijk wordt gemaakt hoe dit ‘draaiwonder’ zich voltrekt. “Dat interesseert Van den Berg niet. Al die veertien stafleden van het Erasmus MC die haar hebben begeleid, bekommerden zich evenmin over het werkingsmechanisme. Je moet niet alles willen begrijpen, zullen zij wel hebben geredeneerd. De acupuncturist harkte wat onderzoeken bij elkaar, waaronder een aantal Chinese, met als resultaat dat twee keer zoveel kinderen zich in de juiste houding draaien in vergelijking met kinderen bij wie geen Moxa-therapie werd toegepast. Dat die Chinese onderzoeken wel wat vreemd zijn, was haar niet opgevallen. Het enige degelijke onderzoek - waar helaas voor haar niets uitkwam - laat ze voor het gemak weg.”
Het oordeel van Van Dam over deze dissertatie is dan ook vernietigend. “Hoe een dergelijk proefschrift het gehaald heeft, is een raadsel. Dit is des te ernstiger omdat deze kwakzalverij ingang dreigt te vinden bij verloskundigen.”
Het Erasmus MC heeft volgens Van Dam sowieso een dubieuze traditie van het accepteren van ondermaatse proefschriften op alternatief-geneeskundig gebied. Een kleine opsomming: in 1990 promoveerden twee leerlingen van Sickesz - Albers en Keizer - op de 'orthomanuele geneeswijze'; in 1997 deed de natuurgeneeskundige arts Lugard hetzelfde, op een proefschrift over diëten tegen hoofdpijn en migraine; in 1995 ging een doodgelopen onderzoek naar het effect van acupunctuur op de tennisarm met veel overheidssubsidie van start en leidde tot niets; het Helen Dowling Instituut kwakzalvert met psycho-oncologie; in 1996 promoveerde Schilder, die beweerde dat spontane regressie van kanker samenhangt met psychologische factoren. Van Dam: “Het doorlaten van het proefschrift van Van den Berg is dus het zoveelste voorbeeld van de Lof der zotheid die in Rotterdam hoogtij viert.”
Analyse. Laat ik voorop stellen dat de kritiek van Frits van Dam terecht is. Maar met één aspect van de kritiek ben ik het niet eens, namelijk het verwijt dat de promovenda kennelijk meent dat je niet alles moet willen begrijpen. Van den Berg heeft een aantal onderzoeken bestudeerd en heeft op grond daarvan conclusies getrokken. Dat is haar onderzoeksvraag, maar Van Dam wilde dat zij een ander onderzoek had verricht, namelijk naar de werking van de therapie. Wellicht zinvoller, maar dat rechtvaardigt m.i. niet het verwijt dat Van der Berg kennelijk niet meent dat je niet alles moet willen begrijpen.