Kwakzalverij 3 (12.1.2011)

Van Dam kreeg bijval van Gerard te Meerman, universitair hoofddocent bio-informatica en statistische genetica aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (NRC, 4 jan. 2011). “Tussen wat oprechte waanzin is en wat betrouwbaar uit empirische observatie kan worden afgeleid, bestaat een glijdende schaal. Ook als waarnemingen volgens een kansmodel een kleine kans van voorkomen hebben, kunnen ze toch geheel te wijten zijn aan toeval, zoals Lucia de Berk tot haar grote schade heeft ondervonden. Pas als de alternatieve hypothese dat er een oorzaak-gevolgrelatie is een zekere mate van plausibiliteit heeft, kun je op grond van statistiek geloof hechten aan die hypothese. Dat acupunctuur met moxa enige invloed op het spontaan terugdraaien van een in stuit liggend kind zou kunnen hebben, behoort tot de a priori erg onwaarschijnlijke hypothesen - zo misselijk kun je van dat onaangenaam ruikende goedje ook niet worden.”

Maar ook Meerman gaf een eigen draai aan het verhaal van Van Dam. “Wat Frits van Dam terecht bekritiseert, is dat het onderzoeken van buitengewoon onwaarschijnlijke hypothesen niet thuishoort op de universiteit, vooral niet als er geen schijn van mogelijkheid is om dieper inzicht te krijgen. Wat Hunink en haar collega's doen, is onderzoek naar het onwaarschijnlijke en misbruik van statistische argumenten presenteren als voorbeeld van wetenschappelijke openheid. Daarmee is niemand gediend.” (NRC, 4 jan. 2011). Maar Van Dam had het in het artikel nergens over dat onderzoek van onwaarschijnlijke hypothesen niet thuishoren op de universiteit.