Kwakzalverij 4 (13.1.2011)

Kritiek was er natuurlijk ook. Een acupuncturist stuurde in brief: “Frits van Dam schrijft in de discussie over acupunctuur en moxa als remedie tegen stuitligging bij ongeboren baby's dat je op je klompen kunt aanvoelen dat dit onzin is. Hoe het komt dat sommige wetenschappers dit soort emotionele kreten gebruiken is mij een raadsel. Misschien verdient dit raadsel eens een wetenschappelijk onderzoek.” Van Dam lichtte nu juist toe waarom het volgens hem onzin is.

Dr. Bram Kuiper, directeur Helen Dowling Instituut (HDI), vond dat Van Dam met zijn verrassende opmerking over HDI (‘dit instituut bedrijft psycho-oncologische kwakzalverij’) de plank misslaat. “Onze intenties noch onze methoden hebben een alternatieve of kwakzalverige inhoud. Het Helen Dowling Instituut helpt mensen met kanker en hun naasten op een professionele manier de ziekte emotioneel te verwerken. Wij kunnen mensen absoluut niet genezen van kanker en er ook niet voor zorgen dat ze langer leven. Dat maken we duidelijk in woord en geschrift. Tussen iemands psyche en het ontstaan en/of de beloop van kanker bestaat naar onze opvatting geen relatie. Voor genezing en overleving moeten patiënten niet bij ons zijn, maar bij hun medisch specialist.” (NRC, 3 jan. 2011)

Dr. Adriaan Visser, psycholoog en onderzoeker op het terrein van psycho-oncologie, was verbonden aan het Helen Dowling Instituut, stelde dat “Frits van Dam weet dat het Helen Dowling Instituut zich verre heeft gehouden van de hypothese dat psycho-sociale factoren van invloed zijn op het ontstaan van kanker.”

Maar op de website van HFI las ik onder meer het volgende:

De invloed van vele factoren zijn in de studies onderzocht, met name het meemaken van stressvolle levensgebeurtenissen in het algemeen en het verlies van een nabijstaande in het bijzonder, sociale steun, het vaak ervaren van negatieve emoties en/of psychologische klachten (‘distress’), het lijden aan een psychiatrische aandoening, (non)expressie van emoties, manier van omgaan met moeilijke situaties (coping), persoonlijkheidsfactoren in het algemeen en ‘locus of control’ (wie/wat bepaald naar je eigen idee jouw leven) in het bijzonder.
In de meeste studies werd wel een relatie gevonden tussen een psychologische factor en het onstaan of beloop van kanker. Dat lijkt helder, maar de bevindingen waren echter niet consistent. Dat wil zeggen. een factor A die in de ene studie een effect bleek te hebben, had dat niet in een andere studie, waarin factor B van belang bleek. In weer een andere studie bleek factor B niet van belang, maar factor C.

Op grond van de huidige stand van zaken moeten we concluderen dat er geen enkele factor is waarvan het effect onomstotelijk is vastgesteld in een serie studies. Met de nodige voorzichtigheid kunnen we stellen dat er aanwijzingen bestaan dat de neiging tot hopeloosheid of pessimisme en het niet uiten van negatieve emoties bijdragen aan een ongunstig beloop van kanker en dat het ontkennen of het minimaliseren van de impact van kanker, opvallend genoeg, een positief effect heeft. Enige aanwijzingen, maar minder overtuigend, bestaan er ook voor het gunstige effect van veel sociale steun en getrouwd zijn, en voor het ongunstige effect van het overlijden van je partner of je kind.

De invloed van stressvolle levensgebeurtenissen in het algemeen, distress niveau, psychiatrische stoornissen, een actieve copingstijl, locus of control en andere persoonlijkheidseigenschappen is minimaal of afwezig, of de bevindingen zijn voor deze factoren tegenstrijdig.

De belangrijkste reden voor het beperkte resultaat lijkt te zijn dat doorgaans alleen de invloed van afzonderlijke factoren werd onderzocht. Het lijkt zinvoller en meer belovend om het interactieve effect van meerdere psychologische factoren, en van psychologische factoren met demografische en biomedische risicofactoren te onderzoeken. Dan zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat een effect alleen is te vinden bij mensen die veel belastende situaties hebben meegemaakt, weinig sociale steun ervaren en geneigd zijn moeilijke situaties te vermijden, of alleen bij mannen die hun partner verliezen, of alleen bij depressieve rokers. Enige aanwijzingen voor het belang van dergelijke interactieve effecten zijn inmiddels gevonden (Garssen en Goodkin, 1999).


Ook stond er dit:

“Er zijn ook studies verricht naar het effect van interventies op het ziektebeloop, maar dat zijn er heel wat minder. Tot nu toe zijn er zes gecontroleerde studies op dit gebied gepubliceerd. In drie studies werd een langere overlevingsduur gevonden bij patiënten die hadden deelgenomen aan een psychologische interventie in vergelijking met een geen-interventie groep (Spiegel et al., 1989; Fawzy et al., 1993; Kuchler et al., 1999). Drie andere studies vonden echter geen effect (Cunningham et al., 1998; Edelman et al., 2000; Goodwin et al., 2001). Omdat deze laatstgenoemde drie studies van recente datum zijn, wordt algemeen gesteld dat psychologische interventies waarschijnlijk geen invloed hebben op het ziektebeloop (= kwantiteit van het leven).
Een nieuwe en interessante benadering is recent geïntroduceerd door Cunningham et al. (2000). Hun uitgangspunt was dat sommige mensen met kanker wel en andere niet op psychologische hulp reageren met het bewerkstelligen van essentiële veranderingen in hun leven. De auteurs concluderen op grond van hun studie dat de overlevingsduur langer was naarmate mensen met kanker zich actiever bezig hielden met de toepassing van zelf-hulp methodes die door de therapie werden aangereikt.”

Kortom, zowel Visser als Kuiper hebben wat uit te leggen.