De retorisch sterke blunder van Moskowicz


Moskowicz noemde in het Wilders-proces getuige Hendriks een leugenaar. Bovendien beschuldigde hij hem van meineed, omdat hij in de rechtbank iets anders zei dan in de media. Dat deed getuige-deskundige Hans Jansen ook, maar volgens Moskowicz stond Jansen onder ede. Dat is, wat (volgens de advocaat) telt.

In Pauw & Witteman (15 april 2011) wees Hendriks op deze merkwaardige inconsistentie in het betoog van de advocaat. Moskowicz reageerde door te wijzen op een politieke uitspraak van Hendriks over Hamas. Kortom, een antwoord dat kant noch wal raakte.

Analyse. Het gaat hier om twee drogredenen. De eerste is de inconsistentie in de argumentatie van Moskowicz, waarop Hendriks terecht wees. De tweede is de persoonlijke aanval aan het adres van Hendriks.

Retorisch gezien is het echter een sterke zet van Moskowicz. Zijn beschuldiging over de meineed sloeg - juridisch gezien - helemaal nergens op. Toen hij daarmee werd geconfronteerd, bracht hij een volstrekte absurditeit naar voren (in dit geval over Hamas). Met succes, want de aandacht werd in een klap verlegd.

(Experimenten uit de sociale psychologie laten zien dat dit mechanisme werkt. Enkele personen moesten iets stelen en werden daarbij betrapt door de winkelbediende. Op dat moment moesten ze dan een opmerking maken die in die context volstrekt bizar was. Het gevolg was wel dat ze de winkel moeiteloos konden verlaten.)