Oei, wat was ze boos (Bleich over Het Arnold Heertje-effect 1)

Wat bezielt iemand om de immer genuanceerde Aleid Truijens af te schilderen als een representant van ‘Geen Stijl voor veertig plus’?”, brieste Anet Bleich in de Volkskrant (16 april 2011). Bleich, die ik overigens in mijn boek bekritiseer vanwege haar belabberde argumentatie (zie p. 118), mocht in de Volkskrant afrekenen met mijn boek: “een droeve mislukking”.
Normaal gesproken moet ik een tekst analyseren om te laten zien in welke passages de drogredenen verpakt zitten. In de recensie van Bleich is de drogreden echter tot uitgangpunt verheven en dat is op zichzelf wel weer origineel. Maar dat compenseert helaas niet de opeenhoping van de aaneengeregen reeks onzinnigheden.
Zelfs bij de titel van de recensie, ‘Tegen columnisten’, gaat het al meteen fout. Columnisten? Tja, daar ging het boek dus niet over. Het gaat over intellectuelen die vaak in de media en het publieke debat domineren. Ze verschijnen in ‘De Wereld Draait Door’, in ‘Het Buitenhof’, in ‘Pauw & Witteman’ en, inderdaad, een aantal schrijft ook columns. Kennelijk was dit detail - het onderwerp van het boek – Bleich enigszins ontgaan. (Maar ze jokt wel vaker, naar het schijnt.)
In de openingsalinea kwam Bleich aanzetten met De Gaulle, die een halve eeuw geleden een pleidooi hield voor een zelfstandige Franse atoommacht. Uhh, ja… wat moet ik over dit omgevallen-boekenkast-weetje zeggen, behalve dan dat deze wijsheid meer dan een kwart van de recensie besloeg? Volgens Bleich roept het pleidooi om zich tegen iedereen te verdedigen een sterke associatie op met mijn boek. Nu weet ik niet wat er in Bleichs hoofd allemaal bij en met elkaar geassocieerd wordt, maar na de eerste alinea was ik in elk geval het spoor al volledig bijster. Ik analyseer argumentaties aan de hand van logica, zoals ik letterlijk op de eerste pagina van het boek schrijf, maar volgens Bleich ben ik mij kennelijk aan het verdedigen of zoiets. Tegen wie eigenlijk? Of wat?
De recensie werd steeds wonderlijker. In de tweede alinea probeerde Bleich het boek in een politiek moeras te duwen. Ik zou de oorlog hebben verklaard aan columnisten (?) uit alle politieke richtingen. Alle politieke richtingen? Dit is een volstrekt irrelevante opmerking, die bovendien ook nog eens onwaar is. Irrelevant, want de politieke signatuur van de lieden die ik bespreek, is mij werkelijk om het even. Het boek gaat over argumentaties. Het gaat om opinieleiders die luid en duidelijk in de media hoorbaar zijn. Dat is het criterium. Maar bovendien is de opmerking ook nog onjuist. Ellian zit (neem ik aan) op de rechterflank en Kluun gaat op de spirituele toer, maar voor de rest zijn de hoofdpersonen toch allemaal linkse vrindjes van Bleich. Of ze behoren tot haar politiek verwante kliekje. Niks alle politieke richtingen.
Maar goed, nadat ik ineens met De Gaulle op schoot zat, bleek ik vervolgens een aanvaring te hebben gehad met Heertje over de kwaliteit van juridische opleidingen. “Laat Ritzen nu toevallig rechtspsychologie doceren aan een hogeschool”. Dat is bijzonder interessant, alleen al vanwege het feit dat een aanvaring met Heertje over de juridische opleidingen op de een of andere merkwaardige wijze mij volledig is ontgaan. Maar al was er sprake van een persoonlijke afrekening (in pakweg 16 pagina’s), dan ligt de vraag toch tamelijk voor de hand waarom ik die andere tweehonderd pagina’s heb geschreven.
Het kan nog erger. Bleich wilde weten wat iemand “bezielt om de immer genuanceerde Aleid Truijens” te bekritiseren. Mijn eerste reactie is dan: lees hoofdstuk 9, want die gaat helemaal over de vreemde gedachtekronkels van Truijens. Het is natuurlijk ieders goed recht om het daar inhoudelijk niet mee eens te zijn, maar Bleich beweert gewoon dat er geen argumenten worden gegeven. Ik gebruik één oneliner en vervolgens krijst Bleich dat dit in de plaats komt van argumenten. Dat een heel hoofdstuk de uitwerking van die oneliner is, blijkt ze over het hoofd te hebben gezien.
Als het boek echt zo’n droeve mislukking is, moet het toch niet erg moeilijk zijn om uit de vijver van pakweg driehonderd kritiekpunten op de media-intellectuelen er ééntje uit te vissen en inhoudelijk aan te tonen dat mijn kritiek niet deugt. Bijvoorbeeld waarom een zekere Anet Bleich in de discussie met Zwagerman de plank niet volledig missloeg. Maar daar had Bleich dus duidelijk geen zin in. Ze ging enkel voor de persoonlijke aanval. En zelfs in de laatste alinea perste ze nog even snel een drogreden uit haar pen met een pot-verwijt-de-ketel-argument.
Mijn boek is een analyse van betogen van intellectuelen waarin voortdurend op de man wordt gespeeld en de feiten worden verdraaid. Hoe ironisch! Mijn boek wordt besproken door iemand die louter op de man speelt en de feiten verdraait.
De kern van het boek is dat deze intellectuelen het publieke debat blokkeren (p. 35), maar voor Bleich is dat allemaal geen belangrijke informatie. Van de 257 woorden, die de recensie telde, gingen er welgeteld 56 over de inhoud van het boek. De rest van haar recensie ging over De Gaulle en probeerde zij mijn zielenleven te analyseren. Is Bleich een recensent of een therapeut? Ik vrees dat ze op alle fronten dan een mislukking is.