Hoe het hbo door Elsevier werd gemangeld

In Elsevier die vandaag (7 mei 2011) verscheen, werd het hbo ‘onder vuur genomen’. Met de titel van het artikel ‘Onthutsend onwetend’ werd de toon gezet. De ondertitel deed nog erger vermoeden: “hoe hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’ konden krijgen, ook als van alles mis was.” En in de lead van het stuk probeerde Elsevier ook dat weer te overtreffen: het gesjoemel met diploma’s aan Inholland is de top van een ijsberg: in het hbo is veel meer mis. “Zelfs opleidingen met slecht onderwijs mocht eindeloos voortbestaan.”
Dat was nog niet genoeg, want ook in de eerste alinea moest de lezer nog overtuigd worden van de ernst van de zaak: het “harde” rapport van de onderwijsinspectie heeft niet alleen grote gevolgen voor Inholland, maar ook voor de reputatie van het hele hoger beroepsonderwijs. “Straks wantrouwen werkgevers elk hbo-diploma, en er zijn wel ruim 400.000 studenten in het hbo”. Nog even voor de duidelijkheid (en omdat dit feitje in artikel van Elsevier per ongeluk was vergeten): het rapport van de inspectie had betrekking op de alternatieve afstudeertrajecten van een aantal opleidingen, die men risicovol achtte. Anders gezegd: de onderwijsinspectie onderzocht wat opleidingen deden  met de langstudeerders, die in veel gevallen alleen nog maar hun scriptie moesten schrijven, maar dat nalieten omdat ze bijvoorbeeld te druk waren met hun baan. Het was geen a-selecte steekproef, maar een nader onderzoek bij opleidingen waarbij men bij de onderwijsinspectie op voorhand al vermoedde dat er wellicht iets niet in orde was met de ‘afhandeling’ van het afstuderen van de langstudeerders.
De inspectie zelf liet over de punten op de allereerste pagina van haar rapport dan ook geen enkel misverstand bestaan. De keuze voor een gericht onderzoek bij een aantal opleidingen werd eveneens keurig verantwoord. Maar aan al deze nuances had Elsevier dus geen boodschap en die suggereerde zonder blikken of blozen dat de kwaliteit van het hele hbo in het geding was.
Dat roept de vraag op hoe het weekblad, dat zichzelf onzettend scherp vindt, dit alles onderbouwde. In deze analyse concentreer ik me op twee aspecten: de feiten en de retorische verpakking ervan.

De ‘harde’ feiten
In het stuk werd de kwaliteitscontrole onder de loep genomen. Er zou dus van alles mis zijn en toch kregen hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’. Wat onderzocht Elsevier? Men wilde weten hoeveel lesuren een student krijgt en men wilde weten of een student (of een scholier) erachter kan komen of een hogeschool wel voldoende docenten inzet om een adequate opleiding te bieden. Het antwoord op de eerste vraag was eenvoudig: er is geen informatie beschikbaar, maar we weten wel dat de ratio docent/student gemiddeld 1 op 25 is. Het antwoord op de tweede vraag wist verder niemand.
Dat is een aardig item voor wat gedegen journalistiek spitwerk, lijkt me, maar Elsevier had daar geen zin in. Die gooide het over een andere boeg. De toezichthouder had nog nooit een onvoldoende uitgedeeld. Een kolom verder begon het percentage al op te lopen naar een bescheiden 1 procent. Weer een kolom verder bleken er maar liefst 250 opleidingen in Nederland (en Vlaanderen) te zijn verdwenen vanwege onvoldoende kwaliteit. Dat laatste had dan te maken met het feit dat opleidingen (bedoeld is waarschijnlijk: instellingen) voortijdig met die opleidingen stopten, omdat ze de bui in de vorm van een negatieve beoordeling al zagen hangen.
Maar ook met dat laatste ‘zelfreinigend’ punt wist Elsevier raad: “op zich mogelijk een gunstig en zelfreinigend effect, maar voor de buitenwereld wel volstrekt onzichtbaar”. Er moest – linksom of rechtsom – toch een luchtje aan hangen, en in dit geval plaatste Elsevier dan zelf maar een reukvlakje.
En dan was er nog het punt dat er genadezesjes werden uitgedeeld. Als een beoordelaar een onvoldoende zou geven, dan zou er ‘radicaal ingegrepen’ kunnen worden bij de opleidingen. Vandaar dat de beoordelaars terughoudend waren en geen voldoendes uitdeelden. Een in dit verband vervelende bijkomstigheid is dat dit stelsel inmiddels tot de verleden tijd behoort. Het systeem is geëvalueerd en kennelijk te licht bevonden vanwege dit onwenselijke neveneffect. Prima ontwikkeling, zou je zeggen, maar dat paste natuurlijk niet in het straatje van Elsevier. Daarom werd in de volgende alinea meteen een nieuw debacle aangekondigd: instellingen kunnen er nu voor kiezen om eerst een instellingen en daarna de opleidingen te laten beoordelen. En daardoor kunnen “hogescholen nu makkelijker bemoeienis van buiten ontlopen”. Met die constructie ging, zo lezen we verder, hogeschool Inholland aan de haal, maar die hadden niet gerekend op de Inspectie: “die kwam er nu dus ongevraagd even tussendoor”. Maar is zo’n stelsel werkelijk zo raar? De Wageningse hoogleraar economie Wim Heijman pleitte onlangs voor beoordelingen van instellingen, waar daar zit volgens hem nu juist de fout.

Het retorisch jasje
Elsevier ontdekte allerlei vreemde zaken: “Opmerkelijke uitspraak uit het rapport van de Inspectie: het onderzoek naar de kwaliteit van de opleidingen was nu ‘omvangrijker en diepgaander’ dan tijdens de ‘reguliere controlerondes’.
Hoezo opmerkelijk? Wat verwachtte Elsevier dan eigenlijk? Dat alle 1189 opleidingen over alle punten diepgaand werden doorgezaagd over alle aspecten? De onderwijsinspectie onderzocht een subonderdeel (afstudeertrajecten van langstudeerders) van een onderdeel (het afstuderen), dat deelaspect vormt van de toetsing, dat zelf weer behoort tot één van de onderdelen van de kwaliteit van een opleiding. En dat van 15 opleidingen. Dat kan dus makkelijker wat diepgaander (hoe diep is diepgaand eigenlijk?), maar in de ogen van Elsevier is zoiets dan ‘opmerkelijk’. Hoe dan ook, het weekblad had de smaak te pakken, want in de rest van het artikel werd gesproken over “gesjoemel met diploma’s”. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.
Maar Elsevier jokte er bovendien vrolijk op los. In het rapport wordt op pag. 27 iets anders gezegd: “Het onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden was omvangrijker en diepgaander dan bij reguliere accreditatiebeoordelingen gebruikelijk is.” De inspectie had het dus helemaal niet over de kwaliteit van de opleiding, zoals Elsevier schreef, maar over het niveau van de scripties van de langstudeerders.
Op het einde van het stuk kwam de getalsverhouding weer ter sprake. Vreemd, want dat item was al een keer de revue gepasseerd. Het “gebrek aan harde informatie en openheid mag vreemd heten in een land dat de mond vol heeft van kenniseconomie en internationalisering. De getalsverhouding van studenten en docenten telt steevast zwaar mee in gerenommeerde ranglijsten als the Times Higher Education Rankings, de CHE Ranking van Die Zeit en de publicaties van U.S. News & Worldreport”. Nog afgezien van het feit dat deze (omstreden) rankings betrekking hebben op universiteiten, is uitgerekend die getalsverhouding wel bekend. Die is namelijk 1 docent op 25 studenten. Dat stond nota bene in het artikel van Elsevier.

“Hoe kon het zover komen?”
Maar hoe kon wat zo ver komen? Laten we de feiten uit het stuk nu eens op een rijtje zetten:
-  4 opleidingen blijken hun afstudeertraject voor langstudeerders niet in orde te hebben;
- verder zijn er 250 opleiding in Nederland en Vlaanderen door de instelling zelf gesloten omdat men de bui al zag hangen m.b.t. de kwaliteit van die opleiding;
- het oude systeem bleek ‘genadezesjes’ te genereren en is daarom per 1 januari van dit jaar vervangen door een ander systeem;
- de getalsverhouding docent – student is 1 staat tot 25.
En waar begon het artikel ook al weer mee? Het zou toch gaan over hbo-opleidingen die het stempel ‘goedgekeurd’ kregen, ook al was er van alles mis… En het gesjoemel met diploma’s van Inholland zou het topje van een ijsberg zijn… In het hbo zou toch veel meer mis zijn… En er waren toch opleidingen met slecht onderwijs die eindeloos mochten voortbestaan… Waar was het door BON zo hijgerig aangekondigde ‘brekend nieuws’ gebleven?
Elsevier maakte helemaal niets waar van al die harde beschuldigingen. Geen lijk, geen zaak, maar die logica werkt niet bij het weekblad. Zouden de auteurs van het stuk een diploma hebben van de hbo-school voor journalistiek, vraag ik me stiekem af?


Voor meer ongenoegen over dit artikel: zie hier.