Hoe het hbo door de EO werd gemangeld


“Vijf opleidingen zijn onderzocht en vier daarvan blijken niet hbo-waardig te zijn. Dat is een score van 80%.” De bewering kwam uit de mond van journalist en dichter Hans van Willigenburg in de uitzending van 'Dit Is De Dag'. Hij verwees naar (zijn eigen versie van) een recent onderzoek van de inspectie. Wat is er mis met die versie?
De inspectie zelf zei dat uit het onderzoek bij de 5 opleidingen van Inholland geen conclusies konden worden getrokken over de instelling Inholland (waar de 5 opleidingen onder vallen). 
Maar toegegeven, ‘een score van maar liefst 80% hbo-onwaardige opleidingen’ bekt aanzienlijk beter.

Interview (Zaanradio)

Vandaag (10 mei om 18.20) een interview op Zaanradio door Albert de Roo over het 'Arnold Heertje-effect'.

Hoe het hbo in het NRC werd gemangeld

Cartoon van Ritz


Het deftige NRC kon niet achterblijven in de spectaculaire berichtgeving over het hbo en zette fors in met een vette kop: het hbo fraudeert al sinds 1984. Historicus Bastiaan Bommeljé mocht op de Opiniepagina uitleggen hoe dat zat. Meteen in de eerste alinea ging het al helemaal fout. “Wie was echt verrast over de twee recente rapporten van de Inspectie van het Onderwijs waarin werd gesteld dat het merendeel van de onderzochte hbo-opleidingen ‘onder de maat’ bleek, zich ‘niet aan de wet hield’ en ‘onzorgvuldig gedrag’ vertoonde (NRC Handelsblad, 29 april)? Wie werd daadwerkelijk overvallen door het bericht dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen en dat de onderwijssituatie op hogescholen ‘zorgelijk’ is, of ten minste ‘aanzienlijke tekortkomingen’ vertoont?”
In het rapport van de inspectie werd echter gesteld dat het afstudeertraject voor langstudeerders bij 4 van zeer zwak was en bij nog eens 4 zorgelijk was. (Alle 99 opleidingen werden bevraagd en - als de antwoorden niet bevredigend waren - kreeg een instelling nog een aanvullende vragenlijst voorgelegd. Naast die vragenlijsten vormden negatieve signalen van (bijv. oudstudenten) de aanleiding om een aantal opleidingen nader te bekijken. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.) Bommeljé refereerde verder aan een bericht waarin – volgens hem - stond dat misschien wel eenderde van alle studenten onterecht een diploma had gekregen. Laten we voor de aardigheid eens de letterlijke tekst uit dat bericht erbij halen: “De Inspectie van het Onderwijs onderzocht bij Inholland drie studies waar alternatieve afstudeertrajecten golden, maar ook twee opleidingen waar alles volgens de regels leek te verlopen. In totaal bleek 39 procent van de 200 onderzochte diploma's ten onrechte verstrekt te zijn.” (NRC, 28 april 2011). Het ging dus helemaal niet over verstrekte diploma’s in het hbo, maar over verstrekte diploma’s aan langstudeerders die een alternatieve afstudeerroute bij 3 opleidingen van Inholland hadden doorlopen. Sterker nog, de inspectie zegt op haar site letterlijk dat “door de wijze waarop de onderzochte opleidingen zijn geselecteerd (op basis van risico-inschatting en ernstige signalen) het onderzoek expliciet niet een algemeen beeld van het bekostigd hbo geeft”.
Sowieso was de intro van dit artikel van Bommeljé verrassend. Het zou dus gaan over fraude in het hbo, maar over het onderzoek dat in de eerste alinea werd aangehaald, schrijven de auteurs van dat onderzoek op p. 18 letterlijk dat er geen sprake was “frauduleus handelen”.
Vervolgens introduceerde de auteur een retorische truc: “laten we elkaar niets wijsmaken. Dit was oud nieuws, gaapverwekkend, meer van hetzelfde en zelfs geen reden om een wenkbrauw op te trekken.
Waaruit blijkt dat er meer dan een kwart eeuw in het hbo wordt gefraudeerd? Was het echt zo vanzelfsprekend? We zullen de argumentatie van Bommeljé volgen.
In 1984 bleek de Haagse Avondschool enkele honderden niet-bestaande studenten te hebben ingeschreven voor de Moedermavo. Inderdaad, het was een duidelijk geval van fraude (van – let wel – één opleiding).
In 2004 kwam aan het licht dat er rond 2000 voor 96 miljoen teveel aan sudsidie werd ontvangen. Maar ook hier moeten we wel enkele kanttekeningen plaatsen. Ten eerste stelde de commissie-Schutte die deze kwestie onderzocht, dat “onderwijsland geen fraudeland” is. Het bedrag kwam voornamelijk voor rekening van een klein aantal instellingen. Zo was 57 miljoen gedeclareerd door drie instellingen. Rutte, de toenmalige staatssecretaris, deelde de mening van Schutte. Er zijn “geen zwembaden aangelegd in achtertuinen van bestuursvoorzitters”. Hij wees erop dat het geld niet was onttrokken aan de belastingbetaler. De onderwijsinstellingen die zich wel aan de regels hielden, kregen minder geld.
Een tweede kanttekeningen werd geplaatst door Bert Vroon, de toenmalige voorzitter van het college van bestuur van de CHN. OCW had volgens hem een scheiding moeten aanbrengen tussen werkelijke fraudegevallen en interpretatieverschillen van regels. “In plaats daarvan hebben ze alles op één hoop gegooid, en de hogescholen alle schuld in de schoenen geschoven. Terwijl het ministerie zelf ook schuld draagt door onduidelijke regels.” De bestuursrechter in Leeuwarden vernietigde het besluit van de staatssecretaris (een terugvordering van ongeveer 830.000 euro). De Raad van State bevestigde die uitspraak (AB 2008,65), al moet ik toegegeven dat de kwestie wat ingewikkelder ligt dan ik hier weergeef.
Vervolgens ontspoort de argumentatie in het artikel helemaal. Het stuk gaat verder over ontevreden studenten en visitatiecommissies. In 1999 bleken studenten aan drie opleidingen een onvoldoende te geven. En ook was er volgens Bommeljé rond 2002 enorme kritiek van de zijde van de inspectie en visitatiecommissies. Ook bij deze weergave kunnen we (enorme) kanttekeningen plaatsen. In het jaarverslag van de onderwijsinspectie in 2002 kunnen we op p. 143 namelijk het volgende lezen: “De kwaliteit van het binnenschools curriculum is bij de meeste hbo-opleidingen voldoende tot goed. Een klein deel van de opleidingen kreeg van visitatiecommissies te horen dat de aandacht voor theorie zwaarder kon worden aangezet. Ook bleek bij sommige opleidingen weliswaar de inhoud en het niveau van het curriculum voldoende, maar was er geen methode om de handhaving ervan te borgen.” Een jaar later is het niet anders: “Visitatiecommissies zijn over het algemeen tevreden over het curriculum en de inhoud van de opleidingen (binnenschools curriculum 74 procent voldoende) alsmede over de kwalificaties die afgestudeerden bereiken (gerealiseerde kwalificaties 79 procent voldoende)” (p. 228).
De retoriek van Bommeljé ten spijt (“het zou nog veel erger worden”) wordt in het jaarverslag van onderwijsinspectie helemaal niet het desastreuze beeld geschetst dat hij de lezer voorspiegelt. Het percentage hbo-opleidingen dat in 2002 ernstige tekortkomingen vertoonde, was in het WO nagenoeg hetzelfde. Maar los hiervan, wat heeft dat allemaal met fraude te maken?
De in 2006 door het SCP voorspelde onderwijs- en kennisniveau, werd in hetzelfde jaar bewaarheid, stelt Bommeljé. In dat jaar bleken zelfs bijspijkercursussen in het hoger onderwijs noodzakelijk. Hij verwees naar de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en naar de universiteiten. Maar wat heeft het gebrekkige niveau van de instroom te maken met fraude in het hbo? Bommeljé besteedde vervolgens zelfs een hele alinea aan het gebrekkige taalniveau van universitaire studenten. Die uitwijding stond niet alleen los van het thema ‘fraude’, maar had zelfs niets meer met het onderwerp van het artikel (‘hbo’) te maken.  
Vanaf dat moment raakte de auteur het zicht op de werkelijkheid volledig kwijt. (Een flauwe opmerking, maar ik maak hem toch om te laten zien hoe makkelijk de retorische trucjes van Bommeljé ook toepasbaar zijn op zijn eigen artikel.) Hij beweerde dat “uit de beoordelingen van de 279 hbo-opleidingen die de NVAO controleerde tussen 2006 en 2010 blijkt (…) dat aan vrijwel alle hbo-opleidingen de goedkeuring verleend die nodig is voor overheidsfinanciering, ook aan de opleidingen die nu door dezelfde organisatie worden gekwalificeerd als ‘niet hbo-waardig’.” We gaan weer even terug naar de feiten. Die vrijwel “…alle hbo-opleiding…” zijn er in het totaal 4 van de 1189. En de kwalificatie had niet betrekking op de hele opleiding, maar op een betrekkelijk minuscuul onderdeel, namelijk het alternatieve afstudeertraject van langstudeerders, die hun studie maar niet wilden afronden. En waar zit nu de fraude? In het artikel zou toch ‘aangetoond’ worden dat in het hbo al meer dan een kwart eeuw gefraudeerd wordt?
Bommeljé stelde verder dat de onderwijsinspectie en de NVAO in 2008 met elkaar in conflict raakten. Het hbo-niveau zou op veel door de NVAO 'geaccrediteerde' pabo-opleidingen niet voldoende gegarandeerd zijn. Volgens de NVAO is dat onjuist. "De NVAO heeft pas begin 2009 de pabo’s beoordeeld op basis van de ingediende visitatierapporten. Ondanks de positieve rapportages heeft de NVAO in juni 2009 besloten zeven opleidingen niet te accrediteren, omdat twijfel bestond over de borging van het hbo-niveau." 
Om een en ander (maar wat precies, weet ik niet) te verduidelijken werd op het einde van het stuk ook nog de overhead van de Universiteit van Amsterdam erbij gesleept. 56% van het personeel werkt niet aan onderwijs of onderzoek. Inderdaad, schokkend, maar ook hier moeten we voor de zoveelste keer de vraag stellen: wat heeft de overhead van de UvA te maken met het hbo? En wat heeft het van doen met de fraude? Op 21 maart van dit jaar stelde Zijlstra dat het hbo een overhead van bijna 26% kent. 
De politiek heeft volgens Bommeljé altijd gekozen voor glanzende façades van de kenniseconomie. Nooit wierp ze een “echte blik op de treurnis daarachter, van desperate of cynische docenten, van zichzelf verrijkende en door almacht geobsedeerde bestuurders en van wanhopige, luie of over het paard getilde studenten”.  De docent lijkt er in zijn aanklacht dus nog genadig af te komen, maar schijn bedriegt. Maar tussen de regels door wordt duidelijk dat de grote boef in het verhaal diezelfde docent is. Hij is degene die het onderwijs totaal verziekt heeft. Ik zal voor de aardigheid Bommeljé’s opmerkingen bij elkaar zetten: “…docenten om onduidelijke redenen wekenlang afwezig zijn…”, “…mensen die geen Engels spreken…”. Zij gaven talrijke groepsopdrachten waren waarvoor iedereen een voldoende kreeg. Zij produceerden “tentamens - die toch al diepgang missen – en steeds opnieuw werden gebruikt, zodat studenten de antwoorden al kenden”. En examencommissies “bestonden vrijwel altijd uit eigen personeel van de opleiding, dat financieel baat had bij veel geslaagde studenten”. Uit de mond van Veerman liet Bommeljé komen dat nog al wat docenten “niet goed genoeg” waren. (Dat citaat heb ik nergens kunnen terug vinden. Niet in het rapport van de commissie en evenmin in Trouw, Volkskrant en NRC. Hoewel, een keer. In een artikel in de Volkskrant vond ik het gewraakte citaat terug. De auteur van dat artikel? Inderdaad, Bommeljé.)
Wel was er een negatief oordeel van studenten over het gebrek aan uitdaging in het hbo en het niveau van de docenten. In de periode 1996-2005 werden hbo-studenten inderdaad steeds negatiever over hun opleidingen. Met name de inhoud van de studie en de kwaliteit van de docenten werden kritisch beoordeeld, zeker in vergelijking met de universitaire studenten. Maar uit hetzelfde onderzoek blijkt dat hbo-studenten ook behoorlijk negatiever oordeelden over de sportfaciliteiten in vergelijking met wo-studenten. Zelfs in universiteitssteden waar hbo- en wo-studenten hetzelfde tarief voor de dezelfde sportfaciliteiten betaalden, was de waardering door hbo-studenten veel lager. Voor het uitgaansleven gold hetzelfde. Hoewel het verschil klein is, beoordeelden hbo-studenten de uitgaansfaciliteiten in de universiteitssteden gemiddeld lager dan wo-studenten. Dat roept dus de vraag op wat je nu precies op basis van zo’n onderzoek mag concluderen. Zijn de eisen in het hbo echt te laag of oordelen studenten in het hbo sowieso altijd negatiever over alles. Pas als deze vraag is beantwoord, kan er een zinvolle conclusie uit het onderzoek worden getrokken.
Wat te denken van het artikel? De auteur kondigde aan dat het hbo 24 jaar aan het frauderen was. Die beschuldiging maakt hij in de verste verte niet hard. In 1984 maakte één avondschool zich schuldig aan fraude; rond 2000 een aantal hogeschool (ten koste van andere hogescholen), hoewel de voorzitter van de onderzoekscommissie ‘onderwijsland geen fraudeland’ wilde noemen. Maar verder? Verder was er niets te melden. Elke negatieve opmerkingen over het hbo wordt losgeweekt uit de context, uitvergroot tot enorme proporties en gepresenteerd als een objectieve waarheid. 

Hoe het hbo door Elsevier werd gemangeld

In Elsevier die vandaag (7 mei 2011) verscheen, werd het hbo ‘onder vuur genomen’. Met de titel van het artikel ‘Onthutsend onwetend’ werd de toon gezet. De ondertitel deed nog erger vermoeden: “hoe hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’ konden krijgen, ook als van alles mis was.” En in de lead van het stuk probeerde Elsevier ook dat weer te overtreffen: het gesjoemel met diploma’s aan Inholland is de top van een ijsberg: in het hbo is veel meer mis. “Zelfs opleidingen met slecht onderwijs mocht eindeloos voortbestaan.”
Dat was nog niet genoeg, want ook in de eerste alinea moest de lezer nog overtuigd worden van de ernst van de zaak: het “harde” rapport van de onderwijsinspectie heeft niet alleen grote gevolgen voor Inholland, maar ook voor de reputatie van het hele hoger beroepsonderwijs. “Straks wantrouwen werkgevers elk hbo-diploma, en er zijn wel ruim 400.000 studenten in het hbo”. Nog even voor de duidelijkheid (en omdat dit feitje in artikel van Elsevier per ongeluk was vergeten): het rapport van de inspectie had betrekking op de alternatieve afstudeertrajecten van een aantal opleidingen, die men risicovol achtte. Anders gezegd: de onderwijsinspectie onderzocht wat opleidingen deden  met de langstudeerders, die in veel gevallen alleen nog maar hun scriptie moesten schrijven, maar dat nalieten omdat ze bijvoorbeeld te druk waren met hun baan. Het was geen a-selecte steekproef, maar een nader onderzoek bij opleidingen waarbij men bij de onderwijsinspectie op voorhand al vermoedde dat er wellicht iets niet in orde was met de ‘afhandeling’ van het afstuderen van de langstudeerders.
De inspectie zelf liet over de punten op de allereerste pagina van haar rapport dan ook geen enkel misverstand bestaan. De keuze voor een gericht onderzoek bij een aantal opleidingen werd eveneens keurig verantwoord. Maar aan al deze nuances had Elsevier dus geen boodschap en die suggereerde zonder blikken of blozen dat de kwaliteit van het hele hbo in het geding was.
Dat roept de vraag op hoe het weekblad, dat zichzelf onzettend scherp vindt, dit alles onderbouwde. In deze analyse concentreer ik me op twee aspecten: de feiten en de retorische verpakking ervan.

De ‘harde’ feiten
In het stuk werd de kwaliteitscontrole onder de loep genomen. Er zou dus van alles mis zijn en toch kregen hbo-opleidingen het stempel ‘goedgekeurd’. Wat onderzocht Elsevier? Men wilde weten hoeveel lesuren een student krijgt en men wilde weten of een student (of een scholier) erachter kan komen of een hogeschool wel voldoende docenten inzet om een adequate opleiding te bieden. Het antwoord op de eerste vraag was eenvoudig: er is geen informatie beschikbaar, maar we weten wel dat de ratio docent/student gemiddeld 1 op 25 is. Het antwoord op de tweede vraag wist verder niemand.
Dat is een aardig item voor wat gedegen journalistiek spitwerk, lijkt me, maar Elsevier had daar geen zin in. Die gooide het over een andere boeg. De toezichthouder had nog nooit een onvoldoende uitgedeeld. Een kolom verder begon het percentage al op te lopen naar een bescheiden 1 procent. Weer een kolom verder bleken er maar liefst 250 opleidingen in Nederland (en Vlaanderen) te zijn verdwenen vanwege onvoldoende kwaliteit. Dat laatste had dan te maken met het feit dat opleidingen (bedoeld is waarschijnlijk: instellingen) voortijdig met die opleidingen stopten, omdat ze de bui in de vorm van een negatieve beoordeling al zagen hangen.
Maar ook met dat laatste ‘zelfreinigend’ punt wist Elsevier raad: “op zich mogelijk een gunstig en zelfreinigend effect, maar voor de buitenwereld wel volstrekt onzichtbaar”. Er moest – linksom of rechtsom – toch een luchtje aan hangen, en in dit geval plaatste Elsevier dan zelf maar een reukvlakje.
En dan was er nog het punt dat er genadezesjes werden uitgedeeld. Als een beoordelaar een onvoldoende zou geven, dan zou er ‘radicaal ingegrepen’ kunnen worden bij de opleidingen. Vandaar dat de beoordelaars terughoudend waren en geen voldoendes uitdeelden. Een in dit verband vervelende bijkomstigheid is dat dit stelsel inmiddels tot de verleden tijd behoort. Het systeem is geëvalueerd en kennelijk te licht bevonden vanwege dit onwenselijke neveneffect. Prima ontwikkeling, zou je zeggen, maar dat paste natuurlijk niet in het straatje van Elsevier. Daarom werd in de volgende alinea meteen een nieuw debacle aangekondigd: instellingen kunnen er nu voor kiezen om eerst een instellingen en daarna de opleidingen te laten beoordelen. En daardoor kunnen “hogescholen nu makkelijker bemoeienis van buiten ontlopen”. Met die constructie ging, zo lezen we verder, hogeschool Inholland aan de haal, maar die hadden niet gerekend op de Inspectie: “die kwam er nu dus ongevraagd even tussendoor”. Maar is zo’n stelsel werkelijk zo raar? De Wageningse hoogleraar economie Wim Heijman pleitte onlangs voor beoordelingen van instellingen, waar daar zit volgens hem nu juist de fout.

Het retorisch jasje
Elsevier ontdekte allerlei vreemde zaken: “Opmerkelijke uitspraak uit het rapport van de Inspectie: het onderzoek naar de kwaliteit van de opleidingen was nu ‘omvangrijker en diepgaander’ dan tijdens de ‘reguliere controlerondes’.
Hoezo opmerkelijk? Wat verwachtte Elsevier dan eigenlijk? Dat alle 1189 opleidingen over alle punten diepgaand werden doorgezaagd over alle aspecten? De onderwijsinspectie onderzocht een subonderdeel (afstudeertrajecten van langstudeerders) van een onderdeel (het afstuderen), dat deelaspect vormt van de toetsing, dat zelf weer behoort tot één van de onderdelen van de kwaliteit van een opleiding. En dat van 15 opleidingen. Dat kan dus makkelijker wat diepgaander (hoe diep is diepgaand eigenlijk?), maar in de ogen van Elsevier is zoiets dan ‘opmerkelijk’. Hoe dan ook, het weekblad had de smaak te pakken, want in de rest van het artikel werd gesproken over “gesjoemel met diploma’s”. Alleen bij 5 opleidingen van Inholland werd ook naar het reguliere traject gekeken.
Maar Elsevier jokte er bovendien vrolijk op los. In het rapport wordt op pag. 27 iets anders gezegd: “Het onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden was omvangrijker en diepgaander dan bij reguliere accreditatiebeoordelingen gebruikelijk is.” De inspectie had het dus helemaal niet over de kwaliteit van de opleiding, zoals Elsevier schreef, maar over het niveau van de scripties van de langstudeerders.
Op het einde van het stuk kwam de getalsverhouding weer ter sprake. Vreemd, want dat item was al een keer de revue gepasseerd. Het “gebrek aan harde informatie en openheid mag vreemd heten in een land dat de mond vol heeft van kenniseconomie en internationalisering. De getalsverhouding van studenten en docenten telt steevast zwaar mee in gerenommeerde ranglijsten als the Times Higher Education Rankings, de CHE Ranking van Die Zeit en de publicaties van U.S. News & Worldreport”. Nog afgezien van het feit dat deze (omstreden) rankings betrekking hebben op universiteiten, is uitgerekend die getalsverhouding wel bekend. Die is namelijk 1 docent op 25 studenten. Dat stond nota bene in het artikel van Elsevier.

“Hoe kon het zover komen?”
Maar hoe kon wat zo ver komen? Laten we de feiten uit het stuk nu eens op een rijtje zetten:
-  4 opleidingen blijken hun afstudeertraject voor langstudeerders niet in orde te hebben;
- verder zijn er 250 opleiding in Nederland en Vlaanderen door de instelling zelf gesloten omdat men de bui al zag hangen m.b.t. de kwaliteit van die opleiding;
- het oude systeem bleek ‘genadezesjes’ te genereren en is daarom per 1 januari van dit jaar vervangen door een ander systeem;
- de getalsverhouding docent – student is 1 staat tot 25.
En waar begon het artikel ook al weer mee? Het zou toch gaan over hbo-opleidingen die het stempel ‘goedgekeurd’ kregen, ook al was er van alles mis… En het gesjoemel met diploma’s van Inholland zou het topje van een ijsberg zijn… In het hbo zou toch veel meer mis zijn… En er waren toch opleidingen met slecht onderwijs die eindeloos mochten voortbestaan… Waar was het door BON zo hijgerig aangekondigde ‘brekend nieuws’ gebleven?
Elsevier maakte helemaal niets waar van al die harde beschuldigingen. Geen lijk, geen zaak, maar die logica werkt niet bij het weekblad. Zouden de auteurs van het stuk een diploma hebben van de hbo-school voor journalistiek, vraag ik me stiekem af?


Voor meer ongenoegen over dit artikel: zie hier.

Heertje vs. Kinneging

Heertje was uitgenodigd om zijn zegje te doen over een (m.i. zeer verfrissend) boek van Willem van Leeuwen over ‘vergeving’ en dat deed Heertje dan ook (niet). Heertje zag, zo bekende hij, weinig heil in het verschijnsel ‘vergeving’. Hij noemde het een ‘alfa’-benadering. “Als u wilt dat er een samenleving komt, die humaner is, een samenleving waar mensen elkaar kunnen vertrouwen, waar mensen eerlijker zijn (…) als u dat wilt, zult u de vraag aan de orde moeten stellen waarom u dat eigenlijk wilt, en hoe u dat tot stand gaat brengen. Wat moet daarvoor gedaan worden… Welke architectuur is nodig om een dergelijke wereld te bereiken? Maar de eerste vraag is, is dat eigenlijk wel nodig? Is het nodig dat we allemaal mensen krijgen in de samenleving, die deze geweldig ethische humane karakteristieken hebben? Is dat nodig en als u denkt dat dit nodig is, hoe gaat u dat dan controleren of mensen eerlijk en betrouwbaar zijn. Want naar mijn mening gaat het daar helemaal niet om.” Volgens Heertje willen we een samenleving waarin mensen zich gedragen alsof ze te vertrouwen, eerlijke en integer zijn. En dan moet je de vraag stellen hoe je dat gaat bereiken. Een kwestie van ‘social engineering’. Hij pleitte voor een systeem van prikkels waardoor zich gaan gedragen alsof ze te vertrouwen zijn. Een meer humane samenleving kan bereikt worden langs de weg van de exacte wetenschappen. “Langs de weg van de natuurkunde, de scheikunde en de wiskundige.
Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie, meende dat Heertje een belangrijk punt over het hoofd zag: wie bewaakt degenen die de prikkelstructuren inbouwen (1:54:28). “Wie bewaakt de bewaker?”, wilde Kinneging weten. Hij wees erop dat de nazi’s heel goed waren in het construeren en gebruiken van prikkelstructuren. Heertje vond “deze suggestie buitengewoon grievend. Ik begrijp niet waarom u dat doet. Er is ook geen enkele reden om dat te doen. Het is volstrekt misplaatst. U weet niet wat u zegt. U suggereert nu dat ik met gedachtegangen kom, die – als het ware - gefundenes Fressen zijn voor de nazi’s. Dat vind ik buitengewoon kwalijk.”
Kinneging meende op zijn beurt dat dit voorbeeld wel degelijk van belang was, omdat dit de zwakte van het betoog van Heertje blootlegde. “Maar het is misschien wel waar. U vindt het niet leuk, maar daarom geef ik dit voorbeeld. Misschien heeft u niet goed genoeg nagedacht over deze problematiek.”
Heertje wees vervolgens op het fenomeen ‘mechanism design’, waarvoor drie Amerikaanse economen de nobelprijs hebben gekregen. Het waren, zo benadrukte Heertje, alle drie joden. “Een essentieel onderdeel van het ‘mechanism design’ is het voorzien in de behoefte van burgers.”
Kinneging wilde vervolgens weten waarom er geopteerd moet worden voor een waarde als duurzaamheid. Heertje: “Houdt u nu toch even op, meneer, als u wilt.” Dat wilde Kinneging kennelijk niet, want hij herhaalde zijn vraag.
Op dat moment greep de gespreksleider, Pieter Hilhorst, terecht in. Hij bracht op een slimme manier het gesprek terug op het thema van de avond, ‘vergeving’. Maar daar wilde Heertje niet aan meewerken. Hij kwam terug met de sneer dat Kinneging niet kan weten waar het in deze economische theorie om gaat. Uitgangspunt van deze theorie is de behoeften van burgers.
Analyse. Wat te denken van het argumentatief gehalte van deze discussie? Ik meen dat het debat werd gekenmerkt door een fiks aantal drogredenen.
Zieligheidsargument. Allereerst Kinnegings verwijzing naar de nazi’s. Heertje reageerde geschokt. Hij bracht het zieligheidsargument in. Dat houdt in dat Kinneging de verwijzing met de nazi’s niet had mogen maken, omdat deze ongepast zou zijn. Strikt argumentatief gezien mag Kinneging de nazi’s als voorbeeld er wel degelijk bij halen. Ook de nazi’s maakten buitengewoon effectief gebruik een ‘systeem van prikkelstructuren’ en (bijna) niemand is enthousiast over dat regiem. (Maar los van het onderwerp van deze site: de verwijzing naar de nazi’s was m.i. wel bijzonder smakeloos, gezien Heertjes persoonlijke biografie. Maar deed Kinneging dat ook bewust? Hij had makkelijk naar andere voorbeelden kunnen verwijzen, maar desondanks heeft hij – inhoudelijk gezien - nog geen ongelijk. Dat Heertje zelf andersdenkenden beticht van nazipraktijken en –denkbeelden maakt de verwijzing van Kinneging niet minder smakeloos.)
Inconsistente argumentatie. Heertjes betoog was warrig, want hij nam tegelijkertijd vier verschillende posities in:
a.      a. hij opteert voor de werkwijze van de exacte wetenschappen en die is – ethisch-normatief gezien – waardenvrij en daarnaast heeft moraliteit niets bij het oplossen van maatschappelijke problemen;
b.     b. hij gaat uit van een hypothetisch imperatief (een ‘als dan’-constructie): als je duurzaamheid van belang acht, dan moet je X doen;
c.      c. hij stelt dat het ‘mechanism design’ inherent normatief is, want dat perspectief gaat uit van de behoefte van de burgers;
d.     d. hij stelde in het vraaggesprek dat datgene wenselijk is wat burgers wenselijk achten (en dat standpunt zouden met een beetje goede wil kunnen zien als een verwijzing naar de smalle moraal).
De eerste twee posities zijn met elkaar te verenigen, maar de vier posities kunnen niet allemaal tegelijkertijd worden ingenomen. Wie opteert voor een natuurwetenschappelijke manier van ‘social engineering’, kan de ‘alfa’-vraag -  waarom zou je bepaalde waarden nasteven – niet beantwoorden. Die vraag is niet binnen de exacte wetenschappen te beantwoorden. Kinneging wees terecht op dat praktische probleem.
Irrelevante argumentatie. Kinneging wilde van Heertje weten wie de bewakers bewaakt. Dat is een klassieke vraag die Plato in zijn Politeia ook al stelde (en beantwoordde, zie: 369-376). Heertje gaf geen antwoord op die vraag, maar ging het perspectief van het ‘mechanism design’ nog een keer uitleggen. Maar daarmee wordt de vraag wie de mensen controleert die dit design toepassen niet beantwoord. Want, en dat was Kinnegings punt, ook nazi’s kunnen ge- of misbruik maken van die techniek.
Persoonlijk aanval. Mag bij Heertje niet ontbreken en werd dus ook hier weer met verve gelanceerd: Kinneging kan (!) niet weten wat een of andere economisch perspectief inhoudt. Kinneging is immers geen econoom. (Selten en Maskin, twee door Heertje bejubelde economen, zijn van origine wiskundigen. Zie mijn 'Het Arnold Heertje-effect', p. 46).
Autoriteitsdrogreden. Dat de ontwerpers van het perspectief dat Heertje zo enthousiast schetste,  beloond zijn met drie nobelprijzen zegt op zich niets over de vraag of hun perspectief in deze specifieke discussie inhoudelijk een waardevolle bijdrage levert. Dat die nobelprijswinnaars van joodse afkomst zijn, is voor Heertje kennelijk een relevant feit (zie zijn Echte Economie), maar is in dit verband irrelevant.
Off-topic: de immer vriendelijke Hilhorst heeft de – tegenwoordig steeds zeldzamer voorkomende - eigenschap van een gespreksleider om mensen te laten uitspreken en dat is een aangename gewaarwording. Maar het vooronderstelt dat de gesprekspartners wel over enige discipline beschikken. Die was bij Heertje niet aanwezig, want niet weg neemt dat de avond geslaagd was. Maar dat moeten we dan wel op het conto van Van Leeuwen en Hilhorst schrijven.