Joosten als kruisridder (2)

In de Volkskrant (12 mei 2012) mocht Maarten Doorman uitleggen waarom Joostens boek en vooral Joosten zelf niet deugt. Het stuk begon veel belovend: “Het heet wel eens de drogreden van de stroman: je maakt een karikatuur van iemand anders redenering zodat je hem daarna in één beweging kunt afserveren. Die drogreden lijkt op het ad hominem argument, waarbij je op de man speelt in plaats van op de bal. Het zijn de favoriete wapens van Jos Joosten bij zijn kruistocht in Staande receptie, een boek over literaire kritiek. Zijn slachtoffers zijn drie vrouwen: Renate Dorrestein, Connie Palmen en Elsbeth Etty.” Even kreeg ik de indruk dat er sprake was van een echt inhoudelijk stuk, maar al gauw werd duidelijk dat dit een ‘Stine Jensen II’-exercitie zou worden.
“De Nijmeegse hoogleraar beschrijft zijn eigen aanpak zonder valse bescheidenheid als een serieuze, literair-wetenschappelijke benadering”. In de ogen van Doorman mag je dan niet, zoals Joosten doet, woorden als ‘totale onzin’ of ‘grieperige’ stijl gebruiken. Ook kwalificaties als ‘natuurlijk een beetje dom’ of ‘kwaadwillend of definitief geestelijk van het paadje geraakt’. Dat is een onjuist verwijt. Als Joosten niet verder komt dat deze kwalificaties, dus als de kritiek uitsluitend uit deze termen bestaan, dan heeft Doorman een punt. Maar Joosten levert wel degelijk op inhoudelijke gronden kritiek.
Elsbeth Etty is volgens Doorman “een slachtoffer van Joostens toorn”. Waarom is Etty eigenlijk een slachtoffer? Met een woord als ‘slachtoffer’ kan men eenvoudig een zieligheidsargument, een argumentum ad misericordiam, construeren, waarbij het slachtoffer onschuldig is. Maar is Etty onschuldig? Ze heeft in een boekje twee alinea’s overgeschreven zonder bronvermelding en ze gaat volgens Joosten slordig om met feiten. Als dat niet het geval is, dan kan Doorman dat aantonen (met tegenvoorbeelden). Maar Doorman komt niet verder dan het wijzen op het slachtofferschap van Etty.
“Gaat het Joosten om het vereffenen van een rekening, om karaktermoord, polemiek of nog steeds om serieus literair-wetenschappelijk onderzoek?” En wat wilde Joosten aan de kaak stellen met het door hem ontdekte plagiaat, zo vraagt Doorman zich af. Nou, het antwoord op die laatste vraag is vrij simpel: het aan de kaak stellen dat Etty plagiaat pleegde. Maar voor Doorman is dat te simpel. Hij ontpopt zich als een vaardig amateur-psycholoog en probeert de diepere lagen van Joostens existentie te doorgronden. Wordt hier “een rekening vereffend”? Of was er sprake van “karaktermoord”? Of van een “polemiek”? Of toch van serieus onderzoek? De vraagtekentoets van Doormans toetsenbord blijft hier haperen en dat is altijd handig. Dat Doorman alleen maar vragen stelt, klinkt namelijk heel bescheiden, maar het is feitelijk niet meer dan een opzichte manier om de bewijslast te ontduiken. Stine Jensen deed het hem een dag eerder voor.
“Wetenschappelijk wordt zijn betoog zelden”, weet Doorman. “Joostens boek (…) bevat nogal wat (staat tjokvol met) onnauwkeurigheden en verdraaiingen die de hoge toon waarop hij anderen de les leest kolderiek maken”. In deze passage komt Doorman zowaar met enig bewijs: “Zo verwijst hij (Joosten, RR) naar ‘een onderzoek uit 2008’ onder abonnees van de Volkskrant en NRC Handelsblad en geeft keurig een noot aan het eind van de zin. Wie deze noot 15 echter opzoekt, treft geen bronvermelding aan, maar wordt verwezen naar noot 21 van hoofdstuk 5, om daar de opmerking te vinden dat er niet ‘veel concreet cijfermateriaal is [. . .] omtrent aandacht van krantenlezers voor specifiek de boekenbijlages’.” Tja, zo’n boek kan natuurlijk nooit wetenschappelijk van aard zijn.
“Joostens verlangen naar ‘doorslaggevende bewijzen op basis waarvan [iets] objectief gesteld kan worden’ is naïef, zijn redeneringen zijn onhelder en omslachtig.” Over de onderbouwing van deze kritiek kunnen we heel kort zijn: die is gewoon afwezig. “Veel recente discussies over kritiek zijn aan hem voorbijgegaan, zoals het overal besproken The Death of the Critic van Rónán McDonald, dat Joostens benadering van literatuur aanvalt.” Moet dat dan per se in dit boek? Heeft Joosten de pretentie om dat allemaal te bespreken en verzuimt hij vervolgens die pretentie waar te maken? Nee, maar voor Doorman zijn deze vragen allemaal volstrekt overbodig: ‘niet genoemd, niet bekend’. Maar omdat Joosten die pretentie helemaal niet heeft, zou ik zeggen: ‘geen lijk, geen zaak’.
Als Joosten zijn eigen promovendus Jeroen Dera citeert, dan heet het “wie zich op die manier lof toezwaait, maakt een karikatuur van zichzelf. En academisch of wetenschappelijk zou ik zijn werk niet snel noemen”. Weer een sneer en weer zonder ook maar één steekhoudend argument.
Joostens boek krijgt 1 ster van Doorman. Maar, zoals een hoogleraar filosofie ooit schreef, ‘kritiek is meer dan sterretjes’. Inderdaad, het heeft te maken met deugdelijk argumenteren.