Joosten als onredelijke vrouwenhater (1)


“Hoogleraar letterkunde Jos Joosten beschuldigde niet alleen Elsbeth Etty van onzorgvuldig brongebruik, maar gaf ook vier andere vrouwen ervan langs. De vraag dringt zich op of Joosten niet gewoon een onredelijke vrouwenhater is, schrijft Stine Jensen.” Met deze lead opende de filosofe en docent literatuurwetenschap (VU) in het NRC (11 mei 2012) haar aanval op haar Nijmeegse vakgenoot. Haar argumentatie is, op z’n zachts gezegd, wat wonderlijk.
Na een opsomming van Joostens kritiek op Etty, Palmen, Dorrestein, Smit en Slot, vraagt Jensen zich af of het toeval is dat het allemaal vrouwen zijn. “Wie weet”, is haar antwoord.
De vraag of Joostens kritiek terecht is, lijkt me in dit verband belangrijk. Die vraag wordt door Jensen niet gesteld, laat staan beantwoord. Ze weet alleen op te merken dat Joosten Dorrestein en Palmen verwijt niet-wetenschappelijk te zijn, hoewel beide schrijfster die pretentie niet hebben. Dat is eigenlijk het enige inhoudelijke punt dat Jensen in haar stuk maakt. Maar aangezien Palmen zegt “de academische ernst niet schuwen”, zou Jensen moeten aangeven dat die ‘ernst’ niet gelijkgeschakeld mag worden met ‘academische pretentie’. Eis er inhoudelijks helemaal niets te zeggen over Joostens kritiek. Doorman diskwalificeerde Joosten boek een dag later in De Volkskrant, maar niet zonder op te merken dat Palmens pleidooi voor hogere literatuur inderdaad “wat naïef” was. Joostens verwijt dat Dorrestein andermans woorden onvolledig weergeeft, noemt Doorman terecht. Maar Jensen wenst niet op de inhoud in te gaan.
Jensen gooit het over een andere boeg: Joosten wil over de rug van Etty en de andere schrijfsters zijn wetenschappelijke status oppompen. Kortom, een ad hominem-argument.
In Joostens boek, zo merkt Jensen verder op, ontbreekt een eigen wetenschappelijk programma. Dat is dan meteen de volgende drogreden: zelfs al heeft Joosten niet zo’n programma, dan is daarmee zijn kritiek op Palmen en Dorrestein niet ontkracht.
Joostens boek ‘Staande receptie’ is volgens Jensen de slechtste reclame die de literatuurwetenschap zich kan wensen. Argumenten, waarom dit zo is, ontbreken. Wel introduceert Jensen nog snel even een zieligheidsargument: de literatuurwetenschap ligt al zwaar onder vuur. Joosten moet kennelijk zijn mond houden.
Dit alles (en dat wil in dit verband zeggen: een reeks drogredenen) mondt uit in de beschuldiging van misogynie: er zijn opvallend veel overeenkomsten tussen Joosten en de definitie.  Los van het feit dat dit een categoriefout is (Jensen schakelt een mens gelijk aan een definitie), is het vaag taalgebruik: wat betekent “opvallend veel overeenkomsten”?
Consequent is Jensen wel, want ook haar laatste zin bevat een drogreden: “ik laat het graag aan anderen over om hem te beschuldigen van seksisme”. Hier ontkent ze wat zij degelijk in het hele stuk en de titel vooronderstelt, alle retorische vraagtekens ten spijt.