Jongensbesnijdenis 3: Van der Wieken


Op vrijdag 13 juli had ik het (on)genoegen om op Radio 1 in gesprek te gaan van cardioloog Ron van der Wieken, voorzitter van de liberaal joodse gemeenschap in Amsterdam, over de vraag of jongensbesnijdenis moet worden verboden of niet. Hij was tegen een wettelijk verbod en ik was voor. In een stukje in de Volkskrant had ik aangegeven waarom.

Er wordt volgens Van der Wieken in de pers voortdurend op gehamerd dat er bij jongensbesnijdenis sprake is van inbreuk is op de fysieke integriteit van het lichaam van het kind. Dat is volgens hem een veel te eendimensionale benadering van een gebruik dat heel erg oud gebruik. Geloof, traditie, identiteit spiritualiteit  je kan dat niet zomaar weg schuiven.
Vervolgens wees hij op de geloofsvrijheid die in onze grondwet is vastgelegd. Dat is een pijler van onze beschaving.
Misverstand 1: De formulering van de vrijheid van godsdienst is anders dan Van der Wieken stelt. In art. 6 lid 1 Grondwet staat: “ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging (…) vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Met die laatste toevoeging (…behoudens ieders…) bedoelt de wetgever dat dit grondrecht beperkt kan worden, mits dat in de wet is vastgelegd. Dus een verwijzing naar artikel 6 lid 1 Gw als argument tegen een verbod is onjuist, omdat dit artikel nu juist duidelijk maakt dat een beperking van dit grondrecht door een wet in principe mogelijk is. En dat is waar de discussie over gaat: moet er een zo’n wet komen? Nogmaals, de grondwet biedt dus wel degelijk ruimte voor zo’n beperking.

Op de terechte vraag van Thijs van den Brink (ik vond hem overigens als gespreksleider heel erg goed) of dat dan niet geldt voor integriteit, antwoordde Van der Wieken: “Die is op die manier ondergeschikt aan de geloofsvrijheid. Het recht van ouders om hun kinderen naar eigen goeddunken op te voeden is ook een wezenlijk onderdeel van onze beschaving.”
Misverstand 2: Even voor de duidelijkheid: dat is enkel de opinie van Van der Wieken. De integriteit is als grondrecht vastgelegd in artikel 11 van de grondwet. Het antwoord van Van der Wieken had dus moeten zijn: “Ja, die integriteit staat in de grondwet”. Verder: er is in die grondwet geen hiërarchie vastgelegd. Dat wil zeggen dat de grondwet principieel geen uitspraak doet over de vraag welk grondrecht zwaarder weegt. Ook niet in dit geval: er zijn twee aanspraken (vrijheid van godsdienst enerzijds en de onaantastbaarheid van het lichaam anderzijds) en die zal men (ook) in dit geval moeten afwegen.
Dat is precies wat de Keulse rechter heeft gedaan. Hij weegt die aanspraken af door te zeggen dat er geen wezenlijk probleem is als je de besnijdenis uitstelt tot een later tijdstip (namelijk tot het punt dat de jeugdige daarmee kan instemmen). Want als er sprake is van instemming door de jeugdigen, dan is er geen conflict meer tussen deze twee aanspraken. (En bovendien is een besnijdenis een onomkeerbare ingreep; dat was vergeten te vertellen in de uitzending.)
Daarom verweet ik Van der Wieken tot twee keer toe dat hij die afweging niet maakt. Eerst stelde hij dat de verwijzing naar de integriteit een eendimensionale benadering is (klopt niet; het is onderdeel van een afweging) en vervolgens dat de integriteit ondergeschikt is aan de geloofsvrijheid (dat is de opinie van Van der Wieken, maar dat staat niet in de wet). Waar het om gaat is dat je beide grondrechten afweegt. Later in de uitzending stelde Van der Wieken dat die integriteit geen probleem is. Een afweging is dan niet nodig. Maar zo definieer je het probleem gewoon weg.

Van der Wieken wees er vervolgens op dat voor het jodendom de achtste dag een essentieel gebod is. “Die dag is bij uitstek het moment dat bloedstollingsmechanisme een optimale conditie heeft bereikt.” Dan moet er worden besneden. 65 tot 70 procent in Amerika van de kinderen wordt besneden en dat gebeurt vrijwel zonder complicaties. Van der Wieken verwees naar een “betrouwbaar onderzoek” waaruit blijkt dat besnijdenis “een forse mate van bescherming geeft tegen Hiv-infecties, Herpis Genitalis en tegen het humaan papillomavirus” (HPV).
Sterker nog, het heeft zelfs medische voordelen, ook al is die medische overweging niet de reden dat men jongens besnijdt. Dat is een religieuze overweging. Maar het is wel mooi meegenomen, aldus Van der Wieken.
Op dat punt bracht ik in dat de artsenfederatie KNMG dit soort onderzoeken omstreden acht. Nog voordat ik dit punt kon toelichten, riep Van der Wieken met stemverhef uit: “Dat is nonsens, meneer Ritzen. Dat hebben ze zelfs niet zo gezegd.” En vervolgens vertelde hij dat het KMNG voor deze uitzending was uitgenodigd, maar dat ze zo laf waren om niet te komen - aha, ik was tweede keus! ;) -, maar de relevantie van deze opmerking op dat moment in de discussie ontging mij. 
Misverstand 3: In dit soort gevallen is het handig om het rapport letterlijk te citeren (en dat rapport had ik goed en uitvoerig bestudeerd). Op pagina 6 van hun rapport staat letterlijk: “Verder zijn er aanwijzingen dat circumcisie zou beschermen tegen aandoeningen als HPV-infectie, urineweginfecties en peniskanker. Ook deze studies zijn echter omstreden.” Van der Wieken had het onder meer over humaan papillomavirus (HPV). Van der Wieken kan dan wel luid roepen dat ze dat “zelfs niet zo gezegd” hebben, maar iedereen kan zelf controleren dat “ze” dat dus wel degelijk letterlijk zo gezegd hebben. Het is moeilijk discussiëren met iemand die de feiten ontkent.
In het rapport staat nog veel meer. Op pagina 6 staat dat er “de laatste decennia aanwijzingen zijn gepubliceerd dat circumcisie de kans op HiV/Aids zou reduceren, maar deze aanwijzingen worden door andere studies tegengesproken.” En op dezelfde pagina lezen we bovendien “…de relatie tussen circumcisie en overdracht van HiV [is] op zijn minst onduidelijk…”. Op pagina 7 staat: “Zelfs als er geringe medische voordelen zouden zijn verbonden aan circumcisie om medisch-preventieve redenen, is het de vraag of deze mogelijke medische voordelen opwegen tegen het risico op complicaties.” De algemene conclusie is op de vierde pagina:

“Er is geen overtuigend bewijs dat circumcisie in het kader van preventie of hygiëne zinvol of noodzakelijk is. Mede in het licht van de complicaties die tijdens of na de circumcisie kunnen ontstaan, is circumcisie om redenen anders dan medisch-therapeutische, niet te rechtvaardigen. Zo er al medische voordelen zijn, zoals een mogelijk verminderde kans op HiV-infectie, dan ligt het in de rede de circumcisie uit te stellen tot de leeftijd waarop een dergelijk risico relevant is en de jongen zelf over de ingreep kan beslissen, of kan kiezen voor eventuele alternatieven.”

Het motief van de KNMG om het af te raden (en niet te verbieden) is volgens Van der Wieken dat de KNMG weet “dat er altijd mensen zijn die, zoals meneer Ritzen, dan doordraven en het willen verbieden.”
Misverstand 4:  In het rapport staat letterlijk de reden waarom zij jongensbesnijdenis afraden. Op pag. 4 lezen wij:

“Er zijn goede redenen voor een wettelijk verbod op niet-therapeutische circumcisie bij minderjarige jongens, zoals dat ook bestaat voor vrouwelijke genitale verminking. De KNMG vreest echter dat een wettelijk verbod ertoe zal leiden dat de ingreep uitgevoerd gaat worden door medisch niet-gekwalificeerde personen in omstandigheden waarin de kwaliteit van de ingreep onvoldoende kan worden gegarandeerd. Dit kan tot gevolg hebben dat er veel meer ernstige complicaties zullen optreden dan thans het geval is.”

Ik lees helemaal niets over doordravende Ritzens. Maar voor Van der Wieken was het handig om (alweer) gewoon een standpunt te verzinnen. (De vraag is overigens nog of dit een misverstand is.) Bovendien zijn er ook joden, die op het punt van de besnijdenis afhaken.

Van der Wieken vond sowieso de hele discussie niet wenselijk. “Er bestaat in dit land een delicaat evenwicht.”
Misverstand 5: Hoezo evenwicht? Er bestaat geen evenwicht. In Nederland kunnen kinderen gewoon besneden worden. Dat benoemen als een evenwicht is dan ook een retorische truc. We hebben in Nederland gelukkig een vrijheid van meningsuiting (behoudens ieders verantwoordelijkheid….) en dat betekent dat een discussie over dit punt – hoe delicaat het evenwicht volgens Van der Wieken ook is – niet verkeerd is.

Maar goed, Van der Wieken vond dat er veel urgentere problemen waren: abortus etc. Hij wilde de discussie in de richting van dit item buigen, maar hij moest geïrriteerd vaststellen dat ik daar niet in meeging. 
Misverstand 6: Het is m.i. een totaal andere discussie. Ook wilde hij veel andere urgente problemen aan bod stellen en gaf al meteen aan dat ik daar dus ook geen antwoord op wilde gaan geven. (En dat klopt. De truc is dan dat je meegaat met zo’n wending nog voordat je daar over hebt nagedacht. Bovendien had Van der Wieken inmiddels zoveel onjuistheden over dit onderwerp ‘besnijdenis’ verkondigd, dat we alleen al daarover nog wel een uur aan tafel hadden kunnen zitten.)
Van der Wieken bagatelliseerde het onderwerp door te verwijzen naar andere, urgentere problemen. Ik heb twee bezwaren met de verwijzing naar urgentere problemen. Het eerste bezwaar is dat je dit argument ook kan omdraaien: “Waar maakt Van der Wieken en de joodse gemeenschap in Duitsland zich druk om? Er zijn veel urgentere problemen (moord, verkrachting, mensenhandel etc.)” Het tweede bezwaar betreft de vraag wie bepaalt wat ‘urgent’ is. Is dat Van der Wieken? Op dit moment overlijdt 1 op 500.000 jongens en dat kun je niet noemenswaardig noemen. M.i. is dat 1 op de 500.000 te veel. Interessant is in dit verband de opmerking die Joep Hubben, hoogleraar gezondheidsrecht (RUG) januari 2012 maakte: “Niet alleen in Nederland, maar ook in medische wereld in de VS verschuift langzaam de heersende opvatting over de ingreep. Besnijdenis druist in tegen de ethiek om te snijden in gezond weefsel, zonder medisch doel. Bovendien blijkt de maatregel helemaal niet te leiden tot betere hygiëne. Sterker nog, de operatie is niet zonder risico. Uit onderzoek blijkt dat tussen de dertien en vijftien procent van de besneden mannen na de behandeling lichte tot ernstige complicaties krijgt.” De recentelijk ontstane discussie vindt hij terecht, hoewel hij overigens geen voorstander van een verbod is.