Jongensbesnijdenis 4: het cultureel correcte paternalisme van de antibesnijdenislobby & de drogredenen van Frank Furedi


“Misantropisch fanatisme”, “ouderwetse vooringenomenheid” met een “hooghartige en paternalistische ondertoon”. Het zijn slechts enkele kwalificaties waarmee de socioloog Furedi de voorstanders van een wettelijk verbod op besnijdenis omschrijft (NRC, 21 juli 2012). De antibesnijdenislobbyisten nemen de rol van “morele scheidsrechters aan, die joodse kinderen moeten redden van barbaarse ouders”. Deze “lifestylefanaten” snappen niets van de joodse godsdienst en maken bovendien smalende opmerkingen over het morele absolutisme van gelovigen. Er is sprake moedwillige onwetendheid en demonisering. “Antisemitisme en islamfobie is niet weliswaar niet de drijvende kracht achter de hedendaagse criminalisering van de besnijdenis”, maar de antibesnijdeniscampagne heeft “een natuurlijke aantrekkingskracht op mensen en groeperingen met een hekel aan joden en moslims.” Er is niet alleen sprake van “verderfelijke propaganda”, maar ook van onverdraagzaamheid tegenover andermans godsdienstvrijheid en van hooghartig paternalisten die menen dat zij “het recht hebben anderen te vertellen hoe zij hun leven moeten leiden”. De actievoerders beweren dan wel dat ze opkomen voor de rechten van het kind”, maar “in werkelijkheid gaat het om een poging de rechten van de ouders te ontkrachten.” Tot zover Furedi.
Het betoog van Furedi, dat een reactie is op een uitspraak van een Keulse rechter die jongensbesnijdenis strafbaar acht, laat niets aan de verbeelding over. Maar wie alle directe en indirecte persoonlijke aanvallen wegstreept, houdt - strikt argumentatief gezien - een bizar betoog over. Furedi neemt niet eens de moeite om de argumenten tegen besnijdenis serieus weer te geven en gezien de bovenstaande kwalificaties is dat in feite ook wel begrijpelijk. Waarom zou je immers een onverdraagzame, paternalistische en hooghartige moraalridder met verderfelijke propaganda en bewuste onwetendheid serieus nemen? Toegegeven, retorisch gezien zit het stuk van Furedi briljant in elkaar (en dat is niet ironisch bedoeld). Met name de repetitio, een klassiek retorisch stijlfiguur, wordt behendig toegepast: in bijna elke alinea zien we een variatie terug van het hoofdframe: voorstanders van een verbod zijn arrogante fanatici. 

Blood libel
Furedi is overigens niet de enige die in de aflopen weken fors op de man speelde. Hij bevindt zich in goed gezelschap van Washington Post-medewerker Lane. Die beschuldigde de Duitse hoogleraar strafrecht Putzke - een prominent voorstander van een verbod - van Hitlersympathieën. De Berlijnse rabbijn Ehrenberg meldde op de Duitse televisie (ARD) dat juist Duitsland gezien het Naziverleden voorzichtig moest zijn, omdat deze uitspraak de dood van het jodendom betekent. Ook de algemene secretaris van de Duitse Centrale Raad van Joden, Stephan Kramers, haalde het nationaalsocialisme van stal. Ariel Muzicant, erevoorzitter van de Joodse religieuze gemeente in Wenen, zei in de Oostenrijkse media dat een verbod van besnijdenis 'te vergelijken is met een poging van een nieuwe shoah, een vernietiging van het joodse volk, maar dit keer met culturele middelen'. Jonathan Sacks, de Britse opperrabbijn, meldde in The Jeruzalem Post dat de Duitse rechter zich schuldig maakte aan “blood libel”, een term die in het verleden – vanaf de Middeleeuwen - werd gebruikt om joden zwart te maken. Die zouden verantwoordelijk zijn voor allerlei misdrijven, waaronder het gebruik van het bloed van kinderen voor het maken van matzes. 
In Nederland werden voorstanders van een verbod, zogenaamd ‘fatsoenlijke mensen’, door de filosoof Yoram Stein weggezet als lieden die eigenlijk een pesthekel hebben aan moslims maar daar vanwege de politieke correctheid niet voor uit durven te komen. In een breder verband past deze afkeer tegen jongensbesnijdenis bij een maatschappelijke tendens waarbij er voor religieuze minderheden steeds minder begrip is. 
Ook vanuit islamitische zijde was kritiek. De Keulse kinderarts Omar Kezze, die in 2010 de besnijdenis uitvoerde waarover de Duitse rechter een uitspraak heeft gedaan, ziet het als een provocatie van moslims: "Ik vraag me af, of dit alles niet anders zou zijn geweest, als de jongen een  jood zou zijn geweest". De voorzitter van de Oostenrijkse islamitische gemeenschap, Fuat Sanac, stelde dat  de oproep om te stoppen met besnijdenissen 'een klap voor de vrijheid van religie' is.

Arrogante fanatici
Laten we - als intermezzo - eens zo'n arrogante fanaticus aan het woord. Maximilian Stehr, de uit Munchen afkomstige hoogleraar Chirurgie, vertelde in Der Spiegel (23 juli) het volgende over zijn betrokkenheid bij het onderwerp: “In Juli 2011 ging eine Mutter mit ihrem zwejjärigen Sohn in eine kinderchirurgische Praxis in München. Der Junge was bis zu diesem Tag vollkommen gesund, ihm fehlte nichts. Der Junge sollte nach dem Willen seiner Eltern in der Arztpraxis aus religiösen Gründen beschnitten werden. Während der Narkose gab es einen Zwischenfall, das Kind ließ sich plötzlich nicht mehr beatmen. Der Sauerstoffgehalt im Blut sank ab, das Herz des Kindes horte auf zu schlagen. Dramatische Szenen spielten sich in den folgenden Minuten ab. Die Ärzte versuchte, das Kind wiederzubeleben, verständigten den Münchner Kindernotarzt. Bei seinem Eintreffen was der kleine Körper seit mindestens zehn Minuten ohne ausreichende Sauerstoffversorgung. Die Wiederbelebung gelang, der Junge wurde im Notarztwagen in unserer Krankenhaus gebracht. Dennoch, das Bewusstsein hat dieses Kind nie wieder erlangt, die Hirnschädigung durch den Sauerstoffmangel war zu stark.” Het kind ligt voor de rest van zijn leven op de Intensiv-station van het ziekenhuis.
Natuurlijk, dit is allemaal ‘Effekthascherei’, want Stehr behoort ongetwijfeld ook tot de hooghartige en paternalistische dogmatici, die anderen zijn wil probeert op te leggen.

Landgericht Köln
Maar was de uitspraak van de Duitse rechter werkelijk een “unerhörter und unsensibler Akt”, zoals Dieter Graumann, de Duitse voorzitter van de Centrale Raad van Joden, het omschreef? En heeft zijn collega in de raad, Salomon Korn, gelijk door de uitspraak af te serveren als ‘juristerij’, die weinig met de werkelijkheid van het leven te maken heeft? Is er echt sprake van “eendimensionale rechtspraak” waardoor vooroordelen en clichés worden bevestigd, zoals Mazyek, de voorzitter van de Centrale Raad van Moslims in Duitsland, beweert?
Wie de uitspraak van Landgericht Köln bestudeert, ziet iets heel anders, nog los van de vraag of men het eindoordeel van de rechter deelt. In de uitspraak, die volgens Furedi “onderdeel is van een bredere internationale campagne”, is helemaal geen sprake van een eendimensionale rechtspraak. Er staan twee grondrechten lijnrecht tegenover elkaar en beide kanten worden besproken. Aan de ene kant staat de vrijheid van godsdienst en in het verlengde daarvan het recht van ouders om hun kind (religieus) op te voeden zonder staatsinmenging. In Nederland is die vrijheid verankerd in artikel 6 van de grondwet, maar soortgelijke bepalingen komen we ook tegen in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Aan de andere kant staat de onaantastbaarheid van lichaam. Dat grondrecht zien we ook in de Nederlandse grondwet terug, namelijk in artikel 11. In het EVRM en het IVBPR vinden we soortgelijke bepalingen.
Voor het aanhalen van deze twee grondrechten is veel te zeggen. Het recht op de vrijheid van godsdienst, het oudste Nederlandse grondrecht dat in gecodificeerd is, geeft iedereen de ruimte om zijn of haar godsdienst uit te oefenen, maar ook om die godsdienst uit te dragen in onderwijs en opvoeding (zie ook art. 18 lid 4 IVBPR en art. 2 Eerste Protocol EVRM). De vrijheid van godsdienst mag beperkt worden. In art. 6 staat dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst (en levensbeschouwing) te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dat betekent dat de vrijheid van godsdienst niet onaantastbaar is. In principe kan de reikwijdte worden beperkt, maar dan moet die beperking wel in de wet (in formele zin) zijn vastgelegd. Een simpele verwijzing naar de vrijheid van godsdienst als een juridisch onaantastbaar grondrecht – zoals Ron van der Wieken (voorzitter van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam) doet - is dan ook onjuist.
Een beroep op de onaantastbaarheid van menselijk lichaam is eveneens relevant. In eerste instantie was het doel van dit grondrecht dat burgers werden (en worden) beschermd tegen een al te opdringerige overheid, maar de wetgever heeft in 1978 nadrukkelijk bepaald dat dit grondrecht ook kan worden ingeroepen door een burger tegenover een andere burger. 
Het verwijderen van een stukje huid zonder medische noodzaak en met toestemming van de ouders kan men zien als een inbreuk op dit grondrecht. Het lichaam van een besneden jongen is fysiek anders dan het lichaam van een niet-besneden jongen. Als iemand toestemming geeft voor zo’n ingreep, is er niets aan de hand. Het probleem in dit verband is dat de jongens geen expliciete toestemming hebben en vaak kunnen gegeven. (Regelmatig wordt het belang van dit grondrecht gemarginaliseerd door te verwijzen naar hygiënische overwegingen, maar volgens de artsenfederatie KNMG is er “geen overtuigend bewijs dat circumcisie in het kader van preventie of hygiëne zinvol of noodzakelijk is”. Onderzoek naar de heilzame werking van besnijdenis blijkt vaak omstreden te zijn.)
Het dilemma is duidelijk: er zijn twee legitieme aanspraken op grondrechten, die in dit geval met elkaar botsen. In de grondwet vinden we geen aanwijzingen hoe we deze twee rechten ten opzichte van elkaar moeten afwegen. Feit is wel dat een besnijdenis een onomkeerbare en niet te herstellen ingreep. Uitstel van de ingreep voorkomt dat een individu later ongewild tot een gemeenschap behoort. Daarmee wordt het opvoedingsrecht op dit punt niet verboden, maar is er sprake van uitstel. Althans, in de ogen van de Duitse rechter. 
Ook  de politiek roerde zich. Merkel was not amused en vond dat Duitsland te kijk stond als 'Komikernation'. Feitelijk hoopte ze dat de zaak wel zou overwaaien, maar afgelopen week vond er toch druk overleg plaats met de Duitse minister van Justitie, Leuteheusser-Scharrenberger, nadat afgelopen donderdag (19 juli) de Bondsdag een motie heeft aangenomen, waarin de regering werd verzocht om met een wet te komen. Een regeling is in de maak, maar dan met name om de 'Rechtfrieden'  veilig te stellen. Het ziet er niet naar uit dat jongensbesnijdenis wordt verboden.

Paternalisme
Voor Furedi is de zaak buitengewoon simpel. De integriteit van lichaam is niet in het geding, want er worden miljoenen jongens om niet-godsdienstige redenen besneden en “dat toont dus (!) aan dat dit geen vorm van verminking is”. Alsof de integriteit van het lichaam een kwestie van kwantiteit is. 
Grappig hierbij is dat de populariteit van de besnijdenis in de V.S. te danken (beter: te wijten) is aan – onder meer – Cornflakesman Kellogg, die in het besnijden van jongens een probaat middel zag tegen zelfbevrediging. (Zou de auteur van ‘Paraniod Parenting’ dit weten?)
Hoewel de discussie gaat over besnijdenis van jongens, beweert Furedi dat het hele bestaan van een privé- en gezinsleven twijfelachtig wordt, als het kind eerst zijn toestemming moet geven. Niet dat er ook maar iemand is die serieus iemand beweert, dat kinderen voor alle opvoedingshandelingen eerst toestemming moeten geven. Bovendien kan men een besnijdenis niet op een lijn zetten met alle andere opvoedingshandelingen. Een besnijdenis is een onomkeerbare handeling, waarvan de gevolgen niet te herstellen zijn.  Voor Furedi valt besnijdenis gewoon onder de algemene noemer ‘ouderlijke beslissingen waarmee een kind niet instemt’. (De dreiging van een hellend vlak is m.i. paniekzaaierij. In artikel 14 lid 2 Internationaal Verdrag van de Rechten van Kind wordt de opvoedende rol van ouders afdoende beschermd.)
Ouderlijke beslissingen, zo stelt Furedi, zijn zo belangrijk, dat ouders de vrijheid nodig hebben om deze zo te nemen dat ze stroken met hun leefwijze. Dat is in dit verband een merkwaardig standpunt, want uitgerekend in het geval van een (joodse) besnijdenis is er juist helemaal geen sprake van vrijheid van wie dan ook. Er moet volgens de Thora besneden worden en wel op de achtste dag. Dat is geen keuze van de ouders, zo hamert de Berlijnse rabbijn Ehrenfest, maar een religieus voorschrift. In Furedi’s eigen woorden: de joodse wet vereist dat de besnijdenis op de achtste dag plaatsvindt. Inderdaad, niks keuze.
De “erudiete professor” Putzke vindt het uitstellen van de besnijdenis slechts “een administratief ongemak”, sneert Furedi. Met die achtste dag valt namelijk niet te schuiven. En hier zien we weer een zwakte van de argumentatie van Furedi. Waarom is hij tegen een verbod van jongensbesnijdenis? Omdat paternalistische types als de erudiete professor ouders voorschrijven hoe ze hun leven moeten leiden. Maar wat doen rabbijnen dan? Als Furedi in zijn argumentatie consequent is, dan zijn rabbijnen paternalistisch types die ouders voorschrijven hoe ze hun leven moeten leiden. We kunnen de laatste zin van Furedi’s stuk gewoon herhalen: “Als ik gelovig was, zou ik vragen: ‘Wie heeft hen tot God gemaakt?’

Reframing
Wat is nu het verschil tussen de tegenstanders van een verbod en Furedi enerzijds en de voorstanders van een verbod en de Duitse rechtbank anderzijds? De tegenstanders en Furedi ontkennen eenvoudig dat er een conflict is tussen twee aanspraken en beschuldigen de voorstanders vervolgens van wereldvreemdheid. De voorstanders ontkennen op hun beurt niet dat er een conflict is tussen twee aanspraken en proberen daarvoor een oplossing te bieden. Een oplossing is uitstel van de besnijdenis, zoals Putzke voorstelt. Furedi poneert dat elke beperking van godsdienst onaanvaardbaar is en wacht met de armen over elkaar op de volgende oplossing om die af te branden als een nieuwe vorm van misantropisch fanatisme. Constructief is zo'n houding niet, maar Furedi doet nog iets meer:  het stelt dat het onaanvaardbaar is dat Putzke of iemand anders de wettelijke macht van de staat gebruikt om een gevestigde godsdienst voor te schrijven welke gebruiken mogen worden geëerbiedigd. Putzke probeert geen dilemma tussen twee aanspraken op te lossen, maar hij probeert de macht van de staat te misbruiken om anderen zijn dogma's op te leggen. Over uitstel van het moment van de besnijdenis valt volgens Furedi terecht niet te onderhandelen. (Een zieke baby wordt overigens niet op de achtste dag besneden, dus uitstel is principieel wel mogelijk.)
Maar laten we Furedi's lijn eens consequent volgen: het is volgens hem dus onaanvaardbaar dat iemand de wettelijke macht van de staat gebruikt om een gevestigde godsdienst voor te schrijven welke gebruiken mogen worden geëerbiedigd. Op basis van dit uitgangspunt kunnen maatschappelijke conflicten niet worden opgelost. Zo heeft een jongere volgens de voorschriften van de islamitische sharia niet het recht om zijn of haar godsdienst te kiezen. Een jongere heeft echter op grond van de Nederlandse wet (en specifiek op grond van artikel 14 IVRK) juist wel het recht om zijn of haar godsdienst te kiezen. Furedi kan zo'n probleem helemaal niet oplossen. (In een land als Jordanië bestaat dit conflict niet: bij de ratificatie van het IVRK maakte de staat het voorbehoud dat men zichzelf niet gebonden acht aan art. 14 IVRK. Nederland heeft destijds niet zo'n voorbehoud gemaakt.)
Furedi vraagt zich af waar de actievoerders (voor een verbod) het recht vandaan halen om anderen te vertellen hoe zij hun leven moeten leiden. Het frame dat aan zo’n retorische vraag ten grondslag ligt, kan echter buitengewoon gemakkelijk worden omgedraaid. Laat ik eens een voorstel doen. Wat dacht u van: ‘waar halen actievoerders (tegen een verbod) het recht vandaan om verminking van weerloze kinderen te bevorderen?’ 

Wat vond de twitterende intelligentsia van Furedi’s betoog?  “Knappe verdediging” (Femke Halsema), “scherp stuk” (Geert Meijering) en “mooi artikel” (Ronny Naftaniel). Bart Jan Spruyt vond het zelfs een “uitmuntend artikel”. Mijn oordeel: het dogmatisme van sommige tegenstanders van besnijdenis valt in het niet bij het morele absolutisme van gelovigen. De internationale campagne om de voorstanders van een wettelijk verbod van besnijdenis te demoniseren, wordt gevoed door een nieuwe vorm van misantropisch fanatisme. Dit vertegenwoordigt een synthese van eenentwintigste-eeuwse culturele correctheid en ouderwetse vooringenomenheid. In deze morele kruistocht komen veel van de kwalijkste tendensen van onze tijd samen: het paranoïde dogma van de godsdienst, de multi-cultureel gesanctioneerde minachting  voor westerse waarden en normen, onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden, ongevoeligheid voor moderne mensen- en grondrechten en ouderwetse vooroordelen tegen ongelovigen. 
Misschien vindt u dit alles onzin. Ik heb alleen maar Furedi's eerste alinea overgeschreven, met hier en daar uiteraard een kleine aanpassing. Wat ik wil laten zien is dat het neerzetten van zo'n frame in feite niet zo moeilijk is.