Thierry Baudet en de aanval op de natie-staat (24/6)


EU als een vorm van imperialisme?

Volgens de kersverse Leidse promovendus Thierry Baudet, leidt de Europese eenwording tot oorlog. In het NRC legde hij uit waarom. Het verleden leert volgens hem dat imperialisme juist oorlog uitlokt. Zijn devies: “ontbind de euro en accepteer die nationale verschillen” (NRC, 23 juni 2012). Een boude bewering en dat roept de vraag op hoe hij die beargumenteert. We zullen zijn betoog bekijken.
“De troefkaart van voorstanders van het Europese project is dat nationalisme tot oorlog leidt en Europese eenwording tot vrede. Alle verlies aan democratie, soevereiniteit, transparantie, veroorzaakt door de Brusselse uitdijing, het zou uiteindelijk gecompenseerd worden door dat ene hoge doel: vrede.”
Deze aanname, zo stelt Baudet, berust op een misvatting, want niet het nationalisme maar het imperialisme leidt tot oorlog. “De ambitie een Europees rijk te vestigen, leidt tot oorlog. De ambitie verschillende volkeren in een keurslijf te willen persen, leidt tot oorlog. Het is de Europese eenwording, kortom, die leidt tot oorlog.”
Hij onderbouwt deze stelling met drie voorbeelden. Het eerste voorbeeld betreft het fascisme en nazisme. Die waren allebei waren gericht op Europese eenwording. Het tweede voorbeeld is de Eerste Wereldoorlog. Die zou ook worden geweten aan ‘nationalisme’. Dat is onjuist, stelt Baudet. “Ook in de Eerste Wereldoorlog was het Duitse doel niet slechts het verdedigen of uitbreiden van de Duitse nationale staat, maar alweer het onderwerpen van niet-Duitse delen van West- en Midden-Europa aan een imperium. Deze oorlog was bovendien begonnen in het pan-nationale kruitvat Oostenrijk-Hongarije. Deze Europese Unie avant la lettre weigerde onafhankelijkheid te verlenen aan de Bosnische Serven, en dit motiveerde een groep 'jonge Bosniërs' om de moord op aartshertog Franz-Ferdinand te plannen tijdens diens bezoek aan Sarajevo in juni 1914.”
Het derde voorbeeld: de Napoleontische oorlogen. “Napoleon verwachtte dat Europa spoedig waarlijk één enkele natie zou worden, en iedereen, vrijelijk het continent bereizend, zou zich altijd in hetzelfde vaderland bevinden.”
Zijn (tussen-)conclusie is dat de beweringen (1). “het idee dat nationalisme tot oorlog zou leiden” en (2). “ Europese eenwording tot vrede leidt" niet kloppen. Maar deze eerste conclusie volgt helemaal niet uit het betoog. Baudet heeft slechts drie voorbeelden gegeven die kennelijk door sommigen worden gezien als uitingen van nationalisme, maar feitelijk - volgens Baudet dan - uitingen van imperialisme zijn en op basis daarvan concludeert hij dat de algemene stelling dat nationalisme tot oorlog leidt, dus niet klopt. Hij heeft (slechts) drie voorbeelden van imperialisme beschreven, die tot oorlogen hebben geleid. Op basis daarvan kun je niet concluderen dat nationalisme dus niet tot oorlog kan leiden. Dat zijn namelijk twee verschillende discussies.
Het argumentatieschema is als volgt:
(a). Als er sprake is van imperialisme, dan leidt dit imperialisme tot oorlog (als a dan b)
(b). Nationalisme is geen imperialisme (niet a)
(c). Dus nationalisme leidt niet tot oorlog (maar tot vrede) (niet b)
Deze argumentatie is niet geldig, tenzij premisse (a) niet als een implicatie (een ‘als dan’-bewering) moet worden gelezen, maar als een bi-implicatie (a dan en slechts dan als b). Maar dit laatste valt niet uit het betoog van Baudet af te leiden.
Brussel: het einde van de natie-staat?
Laten we aannemen dat de tweede tussenconclusie (“Europese eenwording leidt niet tot vrede”) aan de premissen vooraf gaat en niet gebaseerd is op het eerste deel van zijn betoog. Het is dan min of meer een uitgangspunt van zijn betoog. Baudet stelt dat in het tweede deel van zijn artikel dat Europa de afgelopen halve eeuw geen ‘vrede’ heeft gekend. “Het grootste deel van die tijd waren de landen van Europa verwikkeld in een strijd op leven en dood met de Sovjet-Unie - de uitdrukking van opnieuw een anti-nationale filosofie: het communisme.” Die tweede conclusie blijft merkwaardig, want de Europese eenwording leidde binnen de EU en, zelfs ruimer genomen, binnen de EER niet tot (een dreiging van) oorlog.
“Zoals te verwachten leidt ook nu de poging Europa politiek te verenigen echter tot grote spanningen. In bijna alle Europese landen zien we de opkomst van anti-establishmentpartijen die het politieke midden serieus destabiliseren. Anti-Duitse sentimenten in Zuid-Europa zijn sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog niet zo sterk geweest als nu. In Griekenland is sprake van straatmilities, buitenlanders worden spontaan in elkaar geslagen, bij de verkiezingen vorige week wonnen radicale partijen ruim 40 procent van de stemmen. In Noord-Europa ontstaat steeds meer wantrouwen jegens het Zuiden. Minachtende aanduidingen als 'knoflooklanden' komen op. Zo is wederom niet nationalisme, maar het Europese project een bron van conflict.”
Maar ook deze argumentatie is dubieus. Er zijn inderdaad op dit moment spanningen in Europa, die ontstaan zijn door anti-establishmentpartijen. Het gaat om nationalistische partijen, die niets in het project ‘Europa’ zien en daar dan ook tegen ageren. En omdat die partijen tegen Europa ageren, leidt het idee van de Europese eenwording dus tot oorlog. 'Spanningen' worden opgeblazen tot 'oorlog'.
Het probleem met deze argumentatie is dat Baudet het gelijk altijd aan zijn zijde heeft. Wie op deze wijze argumenteert, komt namelijk altijd tot de conclusie dat de Europese eenwording tot oorlog leidt. Want als de nationalisten zich op gewelddadige wijze tegen ‘Europa’ verzetten, dan is dat louter een reactie op die eenwording (en dan leidt de Europese eenwording tot oorlog). Als de voorstanders van de Europese eenwording zich sterk maken voor die eenwording is dat geen reactie op die nationalisten, maar een uiting van imperialisme (en dan leidt de Europese eenwording tot oorlog). Maar niets in Baudets betoog staat in de weg om deze argumentatie simpelweg om te draaien: als de imperialisten op gewelddadige wijze tot eenwording willen komen, dan is dat louter een reactie op die nationalisten (en dan leidt nationalisme tot oorlog). Als de nationalisten zich sterk maken om zich te verzetten tegen de Europese eenwording, dan is dat geen reactie op de voorstanders van de Europese eenwording, maar een uiting van hun nationalisme (en dan leidt het nationalisme tot oorlog).
Baudet vooronderstelt dat het nationalisme een reactie is de Europese eenwording, maar met evenveel gemak kan worden gesteld dat het streven naar Europese eenwording een reactie is op nationalistische tendensen.
Strikt argumentatief gezien heeft Baudet niet beargumenteerd dat er een causale relatie bestaat tussen de Europese eenwording en oorlog. Hooguit kan men stellen dat die eenwording de oorlog niet heeft kunnen voorkomen. In die zin opgevat kan de eenwording echter ook worden gezien als een noodzakelijke, zij het onvoldoende voorwaarde voor vrede.
“Om een explosie zoals die van Oostenrijk-Hongarije in 1914, en die van Joegoslavië begin jaren '90 te voorkomen, moeten we toe naar een heel ander Europa dan dat van de huidige EU.” Op grond van een handjevol voorbeelden concludeert Baudet dat eenwording moet leiden tot oorlog. Zo’n inductieve redenering leidt al snel een overhaaste generalisatie, tenzij Baudet goede argumenten heeft om aannemelijk te maken dat de analogie met 1914 en de jaren negentig voldoende sterk is. In zijn betoog vond ik die niet, maar wellicht staan die wel in zijn proefschrift The significance of borders. Why representative government and the rule of law require nation states en dat in het Nederlands is het uitgegeven onder de titel ‘De aanval op de natiestaat’. Wordt vervolgd.

Up-date: Op 27 juli 2012 verscheen in het NRC een interview met prof. Wesseling. De Leidse historicus gaat in op de stelling van Baudet over Europa. "Baudet kiest een ideologisch standpunt. En hij heeft de begrippen imperialisme en nationalisme door elkaar zitten klutsen. Iedereen die nationalistisch is en daarna gaat veroveren, die zou dan opeens niet meer nationalistische maar imperialistisch zijn? Ik kan daar gaan touw aan vastknopen. Je kunt proberen te wat de Europese gemeenschap aan goeds of fouts heeft gedaan, maar niet met de twee meest misbruikte begrippen uit de Europese geschiedenis. (...) Het heeft wel iets van: kijk mij eens! Het is een vorm van aandacht vragen. En krijgen." Dat laatste is dan weer een persoonlijke aanval richting Baudet. Wesselings kritiek heeft iets van: kijk mij eens. Het is een vorm van aandacht vragen. En krijgen. ;)

Jensma, Marbe & sharia

“Parallelle rechtssystemen kunnen heel goed bestaan, zolang ze binnen de grenzen van het heersende recht blijven. Sterker nog, ze bestaan ook. En de grenzen worden ook goed bewaakt. Nederland kent al rabbinale rechtbanken voor joden en canonieke rechtbanken voor katholieken. Deelname is net zo vrijwillig als het geloof dat erbij hoort”, aldus Folkert Jensma in het NRC (16 juni 2012). “Een ‘parallel rechtssysteem’ op religieuze gronden wordt door de rechter dus grondig aan banden gelegd. De moslim die hier een religieuze scheiding weigerde, gedroeg zich volgens de rechter in 2011 ‘in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer van hem kan worden gevergd’. Hij werd gevangen met de catch all van het Nederlandse recht – de onrechtmatigheid.”
Volgens Marbe koestert Jensma al opiniërend in NRC Handelsblad dit romantische beeld van grotendeels onschuldige folklore. “Met vrijheid van religie hebben deze dubieuze praktijken niets te maken. Soelaas bieden ze aan hen die al macht hebben over anderen. Bovendien ondersteunt religieuze arbitrage vaak het wantrouwen jegens de staat en zijn instituties. Het is naïef te stellen dat de westerse rechtsstaat opgewassen is tegen religieuze raden en dat het nationale recht zal zegevieren als religieuze arbitrage burgers onrecht doet. Het is even naïef om te stellen dat deze arbitrage enkel volwassenen treft die zich er vrijwillig aan onderwerpen”.
Volgens Marbe is het niet de vraag is niet “waarom moslims inzake arbitrage niet mogen wat joden en christenen wel mogen. De vraag is in welke mate religieuze arbitrage tot mishandeling en andere strafbare feiten leidt en hoe de wet, de politiek en de maatschappij dat moeten tegengaan”. Marbe verwijt  Jensma dat hij een beschamend zwaktebod doet:  “het oude liedje: de zich progressief wanende intellectueel minacht het volk dat de sharia instinctief afwijst. En daarom moedigt zo'n leunstoeldenker arbitrage aan als vanzelfsprekend moslimrecht. Eventjes die Wilders-aanhang de mond snoeren. Alsof het daarom gaat. Echt monddood zijn pas de meisjes en vrouwen die niet kunnen ontkomen aan de arbitragewillekeur.”
Analyse. Marbe produceert een reeks persoonlijke aanvallen: Jensma is niet alleen naïef, maar bovendien een elitaire zichzelf progressief wanende intellectueel, die de Wilders-aanhang de mond wil snoeren. Ook die laatste toevoeging is merkwaardig, want Wilders komt in het stuk van Jensma helemaal niet voor.
Is Jensma naïef? Hij laat in zijn stuk zien wat er gebeurt als sharia botst met nationaal recht. “Vrouwen die zich vrijwillig in discriminerende relaties begeven, moeten ook door de rechter worden beschermd. Akkoord. Maar dat gebeurt dan ook, door de civiele rechter. Huwelijksdwang is geen moslimmonopolie. De rechter oordeelde sinds de jaren ’80 herhaaldelijk dat de weigering van sommige joodse mannen hun vrouw uit het religieus gesloten huwelijk los te laten onrechtmatig is. In een recent vonnis tegen een weigerende moslimman legde de civiele rechter zelfs een dwangsom van 50.000 euro op. Een ‘parallel rechtssysteem’ op religieuze gronden wordt door de rechter dus grondig aan banden gelegd. De moslim die hier een religieuze scheiding weigerde, gedroeg zich volgens de rechter in 2011 in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer van hem kan worden gevergd. Hij werd gevangen met de catch all van het Nederlandse recht – de onrechtmatigheid.”
De argumentatie van Marbe is feitelijk als volgt: (1). Jensma stelt dat ‘parallelle rechtssystemen heel goed kunnen bestaan, zolang ze binnen de grenzen van het heersende recht blijven’. (2). Marbe stelt ‘parallelle rechtssystemen kunnen niet naast elkaar bestaan, omdat die systemen niet binnen de grenzen van het heersende recht blijven’. (3). Beide auteurs geven enkele voorbeelden om hun stelling te illustreren. Als Marbe vervolgens concludeert dat Jensma dus naïef is, schiet die argumentatie grandioos tekort. Argumenteren is meer dan enkel een andere mening poneren. 

Scootercrime

De Arnhemse rechtbank sprak de twee Nijmeegse scooterrijders vrij die tijdens een politieachtervolging een voetganger hadden doodgereden. Na een eerdere veroordeling door de rechtbank volgde in hoger beroep vrijspraak. Volgens de rechters was het onmogelijk om uit het bewijsmateriaal op te maken wie de scooter bestuurde. Van medeplichtigheid kon geen sprake zijn omdat de rollen niet inwisselbaar waren. Degene die achterop zat, kon niet worden verweten dat de bestuurder een voetganger had doodgereden. Volkskrantcolumniste Marbe reageerde met ongeloof: “O ironie. Meteen na het ongeluk, zo meldde een ooggetuige, schoven de criminelen elkaar de zwarte piet toe. Hij reed! Nee, hij reed! Behoorlijk inwisselbare leugens. Die nog lonen ook. Het gezond verstand staat haaks op deze vrijspraak. Een verdachte die achtervolgd wordt voor criminele activiteiten, iemand doodrijdt en in het ziekenhuis verplegend personeel bedreigt dat zich over het slachtoffer buigt, hoort lang achter de tralies. Maar de rechtspraak valt niet altijd samen met het rechtsgevoel van de burger.” (Vk, 1 juni 2012).
Een andere Volkskrantcolumnist, Rene Cuperus, wierp zich eerder op als spreekbuis van het gezonde verstand. Hij deed het oordeel van het hof af als “juridische haarkloverijen die dat daderduo vrijuit hebben laten gaan”. (Vk, 12 juni 2012) Cuperus liet zich “niet meer intimideren door het rechtsgevoel van juridisch Nederland. (…) Nooit mag de rechtsstaat de neus ophalen voor elementair rechtsgevoel.”
Analyse. Op de argumentatie van beide columnisten is behoorlijk wat af te dingen. Marbe produceert een stroman met de volgende bewering: “Een verdachte die achtervolgd wordt voor criminele activiteiten, iemand doodrijdt en in het ziekenhuis verplegend personeel bedreigt dat zich over het slachtoffer buigt, hoort lang achter de tralies” Door dit standpunt nadrukkelijk als eigen standpunt naar voren te brengen suggereert zij dat de rechters het tegendeel voor hun rekening nemen. Dat is – uiteraard - onjuist. De onjuiste presuppositie in Marbes bewering is dat het duidelijk is wie de verdachte is. En dat is nu juist het probleem in deze zaak. Het is niet helder wie de bestuurder was en wie achterop zat.
Cuperus doet dit probleem af als juridische haarkloverij, waardoor het “daderduo” vrijuit ging. Ook hier is de verzwegen vooronderstelling dat het duidelijk is wie de dader is, maar dat is volgens het hof nu juist het probleem.

Nieuw nummer Informal Logic


Informal Logic

INFORMAL LOGIC is a peer reviewed journal publishing articles and reviews on topics related to reasoning and argumentation in theory and practice. It is deliberately multi-disciplinary, welcoming theoretical and empirical research from any pertinent field, including, but not restricted to, philosophy, rhetoric, communication, linguistics, psychology, artificial intelligence, education, law.

Vol 32, No 2 (2012)

Table of Contents

In Memoriam

In Memoriam: JONATHAN ADLER 1949 – 2012PDF
J. Anthony Blair, Ralph H. Johnson, Hans V. Hansen, Christopher W. Tindale160

Articles

Logic and Parables: Do These Narratives Provide Arguments?PDF
Trudy Govier, Lowell Ayers161-189
Story Similarity in Arguments from AnalogyPDF
Douglas Walton190-218
The Ethics of ArgumentationPDF
Vasco Correia219-238
Critical Thinking in Moral Argumentation Contexts: A Virtue Ethical ApproachPDF PDF
Michelle Ciurria239-255

Reply

Some Clarifications about the Argumentative Theory of Reasoning. A Reply to Santibáñez Yañez (2012).PDF
Hugo Mercier256-265
Pragma-Dialetics Epistemologized: Reply to LumerPDF
David Botting266-282