Jongensbesnijdenis 5: het redactioneel commentaar in het NRC


De discussie over een wettelijk verbod van jongensbesnijdenis leverde ook een redactioneel commentaar in het NRC (28 juli 2012) op. Hieronder een opsomming van de fouten.

1.“Godsdienstvrijheid is niet onbeperkt. Alle grondrechten kennen hun beperkingen.”
Dat is onjuist. Art. 1, 5, 7 lid 1 en 114 van de Grondwet kennen geen beperkingsclausule.

2.“Zeker als de ene vrijheid strijdig is met de andere, zoals bij besnijdenis. Want circumcisie is een inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam, waar het kind niet om heeft gevraagd en, belangrijker, die het op latere leeftijd ook niet ongedaan kan maken. Dat is het fundamentele verschil met pakweg de wijwaterkwast die geen onomkeerbare fysieke tekens nalaat. Moet besnijdenis daarom ook als mishandeling worden aangepakt, zoals de Duitse rechter opperde?”
Hier wordt een standpunt vertekend. De Duitse rechter stelde dat de besnijdenis van jongens (ook) verboden is op grond van de wet. De onomkeerbaarheid werd niet aangehaald als argument dat besnijdenis daarom als mishandeling moet worden aangepakt. De juiste context is: “Zudem wird der Körper des Kindes durch die Beschneidung dauerhaft und irreparabel verändert. Diese Veränderung läuft dem Interesse des Kindes später selbst über seine Religionszugehörigkeit entscheiden zu können zuwider. Umgekehrt wird das Erziehungsrecht der Eltern nicht unzumutbar beeinträchtigt, wenn sie gehalten sind abzuwarten, ob sich der Knabe später, wenn er mündig ist, selbst für die Beschneidung als sichtbares Zeichen der Zugehörigkeit zum Islam entscheidet.

3. “Het wettelijk verbieden van besnijdenis is geen kwestie van zomaar een wet door het parlement loodsen en die vervolgens met het justitiële apparaat handhaven. Het debat over besnijdenis raakt te veel aspecten van de democratische rechtsorde om het zo eenvoudig voor te stellen.”
Dat lijkt me een stroman. Want wie beweert dat een verbod enkel een kwestie is van zomaar (effe) een wet door het parlement loodsen?

4. “Bovendien: aan wiens wens komt een wettelijk verbod eigenlijk tegemoet? Besneden mannen stappen tot nu toe niet systematisch naar voren, zoals onder seksueel verminkte vrouwen wel gebeurt.”
Volgens de artsenfederatie KNMG overlijdt 1 op 500.000 besneden jongetjes. Die statistisch ene correspondeert wel met mensen van vlees en bloed. Zouden die echt hun dood op de koop toenemen?

5. “Vooralsnog is dialoog zinvoller. In zo'n fase kunnen spijtoptanten uit joodse en islamitische kring een nadrukkelijkere rol spelen.” 
Of topic, maar toch... De toonaangevende spreekbuizen tegen verbod vinden zo’n dialoog helemaal niet zinvol, want het verstoort een delicaat evenwicht; de complete Holocaust wordt bij deze discussie aangehaald; de voorstanders van een verbod worden voortdurend persoonlijk aangevallen; en de feiten worden verdraaid. 

Jongensbesnijdenis 4: het cultureel correcte paternalisme van de antibesnijdenislobby & de drogredenen van Frank Furedi


“Misantropisch fanatisme”, “ouderwetse vooringenomenheid” met een “hooghartige en paternalistische ondertoon”. Het zijn slechts enkele kwalificaties waarmee de socioloog Furedi de voorstanders van een wettelijk verbod op besnijdenis omschrijft (NRC, 21 juli 2012). De antibesnijdenislobbyisten nemen de rol van “morele scheidsrechters aan, die joodse kinderen moeten redden van barbaarse ouders”. Deze “lifestylefanaten” snappen niets van de joodse godsdienst en maken bovendien smalende opmerkingen over het morele absolutisme van gelovigen. Er is sprake moedwillige onwetendheid en demonisering. “Antisemitisme en islamfobie is niet weliswaar niet de drijvende kracht achter de hedendaagse criminalisering van de besnijdenis”, maar de antibesnijdeniscampagne heeft “een natuurlijke aantrekkingskracht op mensen en groeperingen met een hekel aan joden en moslims.” Er is niet alleen sprake van “verderfelijke propaganda”, maar ook van onverdraagzaamheid tegenover andermans godsdienstvrijheid en van hooghartig paternalisten die menen dat zij “het recht hebben anderen te vertellen hoe zij hun leven moeten leiden”. De actievoerders beweren dan wel dat ze opkomen voor de rechten van het kind”, maar “in werkelijkheid gaat het om een poging de rechten van de ouders te ontkrachten.” Tot zover Furedi.
Het betoog van Furedi, dat een reactie is op een uitspraak van een Keulse rechter die jongensbesnijdenis strafbaar acht, laat niets aan de verbeelding over. Maar wie alle directe en indirecte persoonlijke aanvallen wegstreept, houdt - strikt argumentatief gezien - een bizar betoog over. Furedi neemt niet eens de moeite om de argumenten tegen besnijdenis serieus weer te geven en gezien de bovenstaande kwalificaties is dat in feite ook wel begrijpelijk. Waarom zou je immers een onverdraagzame, paternalistische en hooghartige moraalridder met verderfelijke propaganda en bewuste onwetendheid serieus nemen? Toegegeven, retorisch gezien zit het stuk van Furedi briljant in elkaar (en dat is niet ironisch bedoeld). Met name de repetitio, een klassiek retorisch stijlfiguur, wordt behendig toegepast: in bijna elke alinea zien we een variatie terug van het hoofdframe: voorstanders van een verbod zijn arrogante fanatici. 

Blood libel
Furedi is overigens niet de enige die in de aflopen weken fors op de man speelde. Hij bevindt zich in goed gezelschap van Washington Post-medewerker Lane. Die beschuldigde de Duitse hoogleraar strafrecht Putzke - een prominent voorstander van een verbod - van Hitlersympathieën. De Berlijnse rabbijn Ehrenberg meldde op de Duitse televisie (ARD) dat juist Duitsland gezien het Naziverleden voorzichtig moest zijn, omdat deze uitspraak de dood van het jodendom betekent. Ook de algemene secretaris van de Duitse Centrale Raad van Joden, Stephan Kramers, haalde het nationaalsocialisme van stal. Ariel Muzicant, erevoorzitter van de Joodse religieuze gemeente in Wenen, zei in de Oostenrijkse media dat een verbod van besnijdenis 'te vergelijken is met een poging van een nieuwe shoah, een vernietiging van het joodse volk, maar dit keer met culturele middelen'. Jonathan Sacks, de Britse opperrabbijn, meldde in The Jeruzalem Post dat de Duitse rechter zich schuldig maakte aan “blood libel”, een term die in het verleden – vanaf de Middeleeuwen - werd gebruikt om joden zwart te maken. Die zouden verantwoordelijk zijn voor allerlei misdrijven, waaronder het gebruik van het bloed van kinderen voor het maken van matzes. 
In Nederland werden voorstanders van een verbod, zogenaamd ‘fatsoenlijke mensen’, door de filosoof Yoram Stein weggezet als lieden die eigenlijk een pesthekel hebben aan moslims maar daar vanwege de politieke correctheid niet voor uit durven te komen. In een breder verband past deze afkeer tegen jongensbesnijdenis bij een maatschappelijke tendens waarbij er voor religieuze minderheden steeds minder begrip is. 
Ook vanuit islamitische zijde was kritiek. De Keulse kinderarts Omar Kezze, die in 2010 de besnijdenis uitvoerde waarover de Duitse rechter een uitspraak heeft gedaan, ziet het als een provocatie van moslims: "Ik vraag me af, of dit alles niet anders zou zijn geweest, als de jongen een  jood zou zijn geweest". De voorzitter van de Oostenrijkse islamitische gemeenschap, Fuat Sanac, stelde dat  de oproep om te stoppen met besnijdenissen 'een klap voor de vrijheid van religie' is.

Arrogante fanatici
Laten we - als intermezzo - eens zo'n arrogante fanaticus aan het woord. Maximilian Stehr, de uit Munchen afkomstige hoogleraar Chirurgie, vertelde in Der Spiegel (23 juli) het volgende over zijn betrokkenheid bij het onderwerp: “In Juli 2011 ging eine Mutter mit ihrem zwejjärigen Sohn in eine kinderchirurgische Praxis in München. Der Junge was bis zu diesem Tag vollkommen gesund, ihm fehlte nichts. Der Junge sollte nach dem Willen seiner Eltern in der Arztpraxis aus religiösen Gründen beschnitten werden. Während der Narkose gab es einen Zwischenfall, das Kind ließ sich plötzlich nicht mehr beatmen. Der Sauerstoffgehalt im Blut sank ab, das Herz des Kindes horte auf zu schlagen. Dramatische Szenen spielten sich in den folgenden Minuten ab. Die Ärzte versuchte, das Kind wiederzubeleben, verständigten den Münchner Kindernotarzt. Bei seinem Eintreffen was der kleine Körper seit mindestens zehn Minuten ohne ausreichende Sauerstoffversorgung. Die Wiederbelebung gelang, der Junge wurde im Notarztwagen in unserer Krankenhaus gebracht. Dennoch, das Bewusstsein hat dieses Kind nie wieder erlangt, die Hirnschädigung durch den Sauerstoffmangel war zu stark.” Het kind ligt voor de rest van zijn leven op de Intensiv-station van het ziekenhuis.
Natuurlijk, dit is allemaal ‘Effekthascherei’, want Stehr behoort ongetwijfeld ook tot de hooghartige en paternalistische dogmatici, die anderen zijn wil probeert op te leggen.

Landgericht Köln
Maar was de uitspraak van de Duitse rechter werkelijk een “unerhörter und unsensibler Akt”, zoals Dieter Graumann, de Duitse voorzitter van de Centrale Raad van Joden, het omschreef? En heeft zijn collega in de raad, Salomon Korn, gelijk door de uitspraak af te serveren als ‘juristerij’, die weinig met de werkelijkheid van het leven te maken heeft? Is er echt sprake van “eendimensionale rechtspraak” waardoor vooroordelen en clichés worden bevestigd, zoals Mazyek, de voorzitter van de Centrale Raad van Moslims in Duitsland, beweert?
Wie de uitspraak van Landgericht Köln bestudeert, ziet iets heel anders, nog los van de vraag of men het eindoordeel van de rechter deelt. In de uitspraak, die volgens Furedi “onderdeel is van een bredere internationale campagne”, is helemaal geen sprake van een eendimensionale rechtspraak. Er staan twee grondrechten lijnrecht tegenover elkaar en beide kanten worden besproken. Aan de ene kant staat de vrijheid van godsdienst en in het verlengde daarvan het recht van ouders om hun kind (religieus) op te voeden zonder staatsinmenging. In Nederland is die vrijheid verankerd in artikel 6 van de grondwet, maar soortgelijke bepalingen komen we ook tegen in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Aan de andere kant staat de onaantastbaarheid van lichaam. Dat grondrecht zien we ook in de Nederlandse grondwet terug, namelijk in artikel 11. In het EVRM en het IVBPR vinden we soortgelijke bepalingen.
Voor het aanhalen van deze twee grondrechten is veel te zeggen. Het recht op de vrijheid van godsdienst, het oudste Nederlandse grondrecht dat in gecodificeerd is, geeft iedereen de ruimte om zijn of haar godsdienst uit te oefenen, maar ook om die godsdienst uit te dragen in onderwijs en opvoeding (zie ook art. 18 lid 4 IVBPR en art. 2 Eerste Protocol EVRM). De vrijheid van godsdienst mag beperkt worden. In art. 6 staat dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst (en levensbeschouwing) te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dat betekent dat de vrijheid van godsdienst niet onaantastbaar is. In principe kan de reikwijdte worden beperkt, maar dan moet die beperking wel in de wet (in formele zin) zijn vastgelegd. Een simpele verwijzing naar de vrijheid van godsdienst als een juridisch onaantastbaar grondrecht – zoals Ron van der Wieken (voorzitter van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam) doet - is dan ook onjuist.
Een beroep op de onaantastbaarheid van menselijk lichaam is eveneens relevant. In eerste instantie was het doel van dit grondrecht dat burgers werden (en worden) beschermd tegen een al te opdringerige overheid, maar de wetgever heeft in 1978 nadrukkelijk bepaald dat dit grondrecht ook kan worden ingeroepen door een burger tegenover een andere burger. 
Het verwijderen van een stukje huid zonder medische noodzaak en met toestemming van de ouders kan men zien als een inbreuk op dit grondrecht. Het lichaam van een besneden jongen is fysiek anders dan het lichaam van een niet-besneden jongen. Als iemand toestemming geeft voor zo’n ingreep, is er niets aan de hand. Het probleem in dit verband is dat de jongens geen expliciete toestemming hebben en vaak kunnen gegeven. (Regelmatig wordt het belang van dit grondrecht gemarginaliseerd door te verwijzen naar hygiënische overwegingen, maar volgens de artsenfederatie KNMG is er “geen overtuigend bewijs dat circumcisie in het kader van preventie of hygiëne zinvol of noodzakelijk is”. Onderzoek naar de heilzame werking van besnijdenis blijkt vaak omstreden te zijn.)
Het dilemma is duidelijk: er zijn twee legitieme aanspraken op grondrechten, die in dit geval met elkaar botsen. In de grondwet vinden we geen aanwijzingen hoe we deze twee rechten ten opzichte van elkaar moeten afwegen. Feit is wel dat een besnijdenis een onomkeerbare en niet te herstellen ingreep. Uitstel van de ingreep voorkomt dat een individu later ongewild tot een gemeenschap behoort. Daarmee wordt het opvoedingsrecht op dit punt niet verboden, maar is er sprake van uitstel. Althans, in de ogen van de Duitse rechter. 
Ook  de politiek roerde zich. Merkel was not amused en vond dat Duitsland te kijk stond als 'Komikernation'. Feitelijk hoopte ze dat de zaak wel zou overwaaien, maar afgelopen week vond er toch druk overleg plaats met de Duitse minister van Justitie, Leuteheusser-Scharrenberger, nadat afgelopen donderdag (19 juli) de Bondsdag een motie heeft aangenomen, waarin de regering werd verzocht om met een wet te komen. Een regeling is in de maak, maar dan met name om de 'Rechtfrieden'  veilig te stellen. Het ziet er niet naar uit dat jongensbesnijdenis wordt verboden.

Paternalisme
Voor Furedi is de zaak buitengewoon simpel. De integriteit van lichaam is niet in het geding, want er worden miljoenen jongens om niet-godsdienstige redenen besneden en “dat toont dus (!) aan dat dit geen vorm van verminking is”. Alsof de integriteit van het lichaam een kwestie van kwantiteit is. 
Grappig hierbij is dat de populariteit van de besnijdenis in de V.S. te danken (beter: te wijten) is aan – onder meer – Cornflakesman Kellogg, die in het besnijden van jongens een probaat middel zag tegen zelfbevrediging. (Zou de auteur van ‘Paraniod Parenting’ dit weten?)
Hoewel de discussie gaat over besnijdenis van jongens, beweert Furedi dat het hele bestaan van een privé- en gezinsleven twijfelachtig wordt, als het kind eerst zijn toestemming moet geven. Niet dat er ook maar iemand is die serieus iemand beweert, dat kinderen voor alle opvoedingshandelingen eerst toestemming moeten geven. Bovendien kan men een besnijdenis niet op een lijn zetten met alle andere opvoedingshandelingen. Een besnijdenis is een onomkeerbare handeling, waarvan de gevolgen niet te herstellen zijn.  Voor Furedi valt besnijdenis gewoon onder de algemene noemer ‘ouderlijke beslissingen waarmee een kind niet instemt’. (De dreiging van een hellend vlak is m.i. paniekzaaierij. In artikel 14 lid 2 Internationaal Verdrag van de Rechten van Kind wordt de opvoedende rol van ouders afdoende beschermd.)
Ouderlijke beslissingen, zo stelt Furedi, zijn zo belangrijk, dat ouders de vrijheid nodig hebben om deze zo te nemen dat ze stroken met hun leefwijze. Dat is in dit verband een merkwaardig standpunt, want uitgerekend in het geval van een (joodse) besnijdenis is er juist helemaal geen sprake van vrijheid van wie dan ook. Er moet volgens de Thora besneden worden en wel op de achtste dag. Dat is geen keuze van de ouders, zo hamert de Berlijnse rabbijn Ehrenfest, maar een religieus voorschrift. In Furedi’s eigen woorden: de joodse wet vereist dat de besnijdenis op de achtste dag plaatsvindt. Inderdaad, niks keuze.
De “erudiete professor” Putzke vindt het uitstellen van de besnijdenis slechts “een administratief ongemak”, sneert Furedi. Met die achtste dag valt namelijk niet te schuiven. En hier zien we weer een zwakte van de argumentatie van Furedi. Waarom is hij tegen een verbod van jongensbesnijdenis? Omdat paternalistische types als de erudiete professor ouders voorschrijven hoe ze hun leven moeten leiden. Maar wat doen rabbijnen dan? Als Furedi in zijn argumentatie consequent is, dan zijn rabbijnen paternalistisch types die ouders voorschrijven hoe ze hun leven moeten leiden. We kunnen de laatste zin van Furedi’s stuk gewoon herhalen: “Als ik gelovig was, zou ik vragen: ‘Wie heeft hen tot God gemaakt?’

Reframing
Wat is nu het verschil tussen de tegenstanders van een verbod en Furedi enerzijds en de voorstanders van een verbod en de Duitse rechtbank anderzijds? De tegenstanders en Furedi ontkennen eenvoudig dat er een conflict is tussen twee aanspraken en beschuldigen de voorstanders vervolgens van wereldvreemdheid. De voorstanders ontkennen op hun beurt niet dat er een conflict is tussen twee aanspraken en proberen daarvoor een oplossing te bieden. Een oplossing is uitstel van de besnijdenis, zoals Putzke voorstelt. Furedi poneert dat elke beperking van godsdienst onaanvaardbaar is en wacht met de armen over elkaar op de volgende oplossing om die af te branden als een nieuwe vorm van misantropisch fanatisme. Constructief is zo'n houding niet, maar Furedi doet nog iets meer:  het stelt dat het onaanvaardbaar is dat Putzke of iemand anders de wettelijke macht van de staat gebruikt om een gevestigde godsdienst voor te schrijven welke gebruiken mogen worden geëerbiedigd. Putzke probeert geen dilemma tussen twee aanspraken op te lossen, maar hij probeert de macht van de staat te misbruiken om anderen zijn dogma's op te leggen. Over uitstel van het moment van de besnijdenis valt volgens Furedi terecht niet te onderhandelen. (Een zieke baby wordt overigens niet op de achtste dag besneden, dus uitstel is principieel wel mogelijk.)
Maar laten we Furedi's lijn eens consequent volgen: het is volgens hem dus onaanvaardbaar dat iemand de wettelijke macht van de staat gebruikt om een gevestigde godsdienst voor te schrijven welke gebruiken mogen worden geëerbiedigd. Op basis van dit uitgangspunt kunnen maatschappelijke conflicten niet worden opgelost. Zo heeft een jongere volgens de voorschriften van de islamitische sharia niet het recht om zijn of haar godsdienst te kiezen. Een jongere heeft echter op grond van de Nederlandse wet (en specifiek op grond van artikel 14 IVRK) juist wel het recht om zijn of haar godsdienst te kiezen. Furedi kan zo'n probleem helemaal niet oplossen. (In een land als Jordanië bestaat dit conflict niet: bij de ratificatie van het IVRK maakte de staat het voorbehoud dat men zichzelf niet gebonden acht aan art. 14 IVRK. Nederland heeft destijds niet zo'n voorbehoud gemaakt.)
Furedi vraagt zich af waar de actievoerders (voor een verbod) het recht vandaan halen om anderen te vertellen hoe zij hun leven moeten leiden. Het frame dat aan zo’n retorische vraag ten grondslag ligt, kan echter buitengewoon gemakkelijk worden omgedraaid. Laat ik eens een voorstel doen. Wat dacht u van: ‘waar halen actievoerders (tegen een verbod) het recht vandaan om verminking van weerloze kinderen te bevorderen?’ 

Wat vond de twitterende intelligentsia van Furedi’s betoog?  “Knappe verdediging” (Femke Halsema), “scherp stuk” (Geert Meijering) en “mooi artikel” (Ronny Naftaniel). Bart Jan Spruyt vond het zelfs een “uitmuntend artikel”. Mijn oordeel: het dogmatisme van sommige tegenstanders van besnijdenis valt in het niet bij het morele absolutisme van gelovigen. De internationale campagne om de voorstanders van een wettelijk verbod van besnijdenis te demoniseren, wordt gevoed door een nieuwe vorm van misantropisch fanatisme. Dit vertegenwoordigt een synthese van eenentwintigste-eeuwse culturele correctheid en ouderwetse vooringenomenheid. In deze morele kruistocht komen veel van de kwalijkste tendensen van onze tijd samen: het paranoïde dogma van de godsdienst, de multi-cultureel gesanctioneerde minachting  voor westerse waarden en normen, onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden, ongevoeligheid voor moderne mensen- en grondrechten en ouderwetse vooroordelen tegen ongelovigen. 
Misschien vindt u dit alles onzin. Ik heb alleen maar Furedi's eerste alinea overgeschreven, met hier en daar uiteraard een kleine aanpassing. Wat ik wil laten zien is dat het neerzetten van zo'n frame in feite niet zo moeilijk is.


Jongensbesnijdenis 3: Van der Wieken


Op vrijdag 13 juli had ik het (on)genoegen om op Radio 1 in gesprek te gaan van cardioloog Ron van der Wieken, voorzitter van de liberaal joodse gemeenschap in Amsterdam, over de vraag of jongensbesnijdenis moet worden verboden of niet. Hij was tegen een wettelijk verbod en ik was voor. In een stukje in de Volkskrant had ik aangegeven waarom.

Er wordt volgens Van der Wieken in de pers voortdurend op gehamerd dat er bij jongensbesnijdenis sprake is van inbreuk is op de fysieke integriteit van het lichaam van het kind. Dat is volgens hem een veel te eendimensionale benadering van een gebruik dat heel erg oud gebruik. Geloof, traditie, identiteit spiritualiteit  je kan dat niet zomaar weg schuiven.
Vervolgens wees hij op de geloofsvrijheid die in onze grondwet is vastgelegd. Dat is een pijler van onze beschaving.
Misverstand 1: De formulering van de vrijheid van godsdienst is anders dan Van der Wieken stelt. In art. 6 lid 1 Grondwet staat: “ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging (…) vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. Met die laatste toevoeging (…behoudens ieders…) bedoelt de wetgever dat dit grondrecht beperkt kan worden, mits dat in de wet is vastgelegd. Dus een verwijzing naar artikel 6 lid 1 Gw als argument tegen een verbod is onjuist, omdat dit artikel nu juist duidelijk maakt dat een beperking van dit grondrecht door een wet in principe mogelijk is. En dat is waar de discussie over gaat: moet er een zo’n wet komen? Nogmaals, de grondwet biedt dus wel degelijk ruimte voor zo’n beperking.

Op de terechte vraag van Thijs van den Brink (ik vond hem overigens als gespreksleider heel erg goed) of dat dan niet geldt voor integriteit, antwoordde Van der Wieken: “Die is op die manier ondergeschikt aan de geloofsvrijheid. Het recht van ouders om hun kinderen naar eigen goeddunken op te voeden is ook een wezenlijk onderdeel van onze beschaving.”
Misverstand 2: Even voor de duidelijkheid: dat is enkel de opinie van Van der Wieken. De integriteit is als grondrecht vastgelegd in artikel 11 van de grondwet. Het antwoord van Van der Wieken had dus moeten zijn: “Ja, die integriteit staat in de grondwet”. Verder: er is in die grondwet geen hiërarchie vastgelegd. Dat wil zeggen dat de grondwet principieel geen uitspraak doet over de vraag welk grondrecht zwaarder weegt. Ook niet in dit geval: er zijn twee aanspraken (vrijheid van godsdienst enerzijds en de onaantastbaarheid van het lichaam anderzijds) en die zal men (ook) in dit geval moeten afwegen.
Dat is precies wat de Keulse rechter heeft gedaan. Hij weegt die aanspraken af door te zeggen dat er geen wezenlijk probleem is als je de besnijdenis uitstelt tot een later tijdstip (namelijk tot het punt dat de jeugdige daarmee kan instemmen). Want als er sprake is van instemming door de jeugdigen, dan is er geen conflict meer tussen deze twee aanspraken. (En bovendien is een besnijdenis een onomkeerbare ingreep; dat was vergeten te vertellen in de uitzending.)
Daarom verweet ik Van der Wieken tot twee keer toe dat hij die afweging niet maakt. Eerst stelde hij dat de verwijzing naar de integriteit een eendimensionale benadering is (klopt niet; het is onderdeel van een afweging) en vervolgens dat de integriteit ondergeschikt is aan de geloofsvrijheid (dat is de opinie van Van der Wieken, maar dat staat niet in de wet). Waar het om gaat is dat je beide grondrechten afweegt. Later in de uitzending stelde Van der Wieken dat die integriteit geen probleem is. Een afweging is dan niet nodig. Maar zo definieer je het probleem gewoon weg.

Van der Wieken wees er vervolgens op dat voor het jodendom de achtste dag een essentieel gebod is. “Die dag is bij uitstek het moment dat bloedstollingsmechanisme een optimale conditie heeft bereikt.” Dan moet er worden besneden. 65 tot 70 procent in Amerika van de kinderen wordt besneden en dat gebeurt vrijwel zonder complicaties. Van der Wieken verwees naar een “betrouwbaar onderzoek” waaruit blijkt dat besnijdenis “een forse mate van bescherming geeft tegen Hiv-infecties, Herpis Genitalis en tegen het humaan papillomavirus” (HPV).
Sterker nog, het heeft zelfs medische voordelen, ook al is die medische overweging niet de reden dat men jongens besnijdt. Dat is een religieuze overweging. Maar het is wel mooi meegenomen, aldus Van der Wieken.
Op dat punt bracht ik in dat de artsenfederatie KNMG dit soort onderzoeken omstreden acht. Nog voordat ik dit punt kon toelichten, riep Van der Wieken met stemverhef uit: “Dat is nonsens, meneer Ritzen. Dat hebben ze zelfs niet zo gezegd.” En vervolgens vertelde hij dat het KMNG voor deze uitzending was uitgenodigd, maar dat ze zo laf waren om niet te komen - aha, ik was tweede keus! ;) -, maar de relevantie van deze opmerking op dat moment in de discussie ontging mij. 
Misverstand 3: In dit soort gevallen is het handig om het rapport letterlijk te citeren (en dat rapport had ik goed en uitvoerig bestudeerd). Op pagina 6 van hun rapport staat letterlijk: “Verder zijn er aanwijzingen dat circumcisie zou beschermen tegen aandoeningen als HPV-infectie, urineweginfecties en peniskanker. Ook deze studies zijn echter omstreden.” Van der Wieken had het onder meer over humaan papillomavirus (HPV). Van der Wieken kan dan wel luid roepen dat ze dat “zelfs niet zo gezegd” hebben, maar iedereen kan zelf controleren dat “ze” dat dus wel degelijk letterlijk zo gezegd hebben. Het is moeilijk discussiëren met iemand die de feiten ontkent.
In het rapport staat nog veel meer. Op pagina 6 staat dat er “de laatste decennia aanwijzingen zijn gepubliceerd dat circumcisie de kans op HiV/Aids zou reduceren, maar deze aanwijzingen worden door andere studies tegengesproken.” En op dezelfde pagina lezen we bovendien “…de relatie tussen circumcisie en overdracht van HiV [is] op zijn minst onduidelijk…”. Op pagina 7 staat: “Zelfs als er geringe medische voordelen zouden zijn verbonden aan circumcisie om medisch-preventieve redenen, is het de vraag of deze mogelijke medische voordelen opwegen tegen het risico op complicaties.” De algemene conclusie is op de vierde pagina:

“Er is geen overtuigend bewijs dat circumcisie in het kader van preventie of hygiëne zinvol of noodzakelijk is. Mede in het licht van de complicaties die tijdens of na de circumcisie kunnen ontstaan, is circumcisie om redenen anders dan medisch-therapeutische, niet te rechtvaardigen. Zo er al medische voordelen zijn, zoals een mogelijk verminderde kans op HiV-infectie, dan ligt het in de rede de circumcisie uit te stellen tot de leeftijd waarop een dergelijk risico relevant is en de jongen zelf over de ingreep kan beslissen, of kan kiezen voor eventuele alternatieven.”

Het motief van de KNMG om het af te raden (en niet te verbieden) is volgens Van der Wieken dat de KNMG weet “dat er altijd mensen zijn die, zoals meneer Ritzen, dan doordraven en het willen verbieden.”
Misverstand 4:  In het rapport staat letterlijk de reden waarom zij jongensbesnijdenis afraden. Op pag. 4 lezen wij:

“Er zijn goede redenen voor een wettelijk verbod op niet-therapeutische circumcisie bij minderjarige jongens, zoals dat ook bestaat voor vrouwelijke genitale verminking. De KNMG vreest echter dat een wettelijk verbod ertoe zal leiden dat de ingreep uitgevoerd gaat worden door medisch niet-gekwalificeerde personen in omstandigheden waarin de kwaliteit van de ingreep onvoldoende kan worden gegarandeerd. Dit kan tot gevolg hebben dat er veel meer ernstige complicaties zullen optreden dan thans het geval is.”

Ik lees helemaal niets over doordravende Ritzens. Maar voor Van der Wieken was het handig om (alweer) gewoon een standpunt te verzinnen. (De vraag is overigens nog of dit een misverstand is.) Bovendien zijn er ook joden, die op het punt van de besnijdenis afhaken.

Van der Wieken vond sowieso de hele discussie niet wenselijk. “Er bestaat in dit land een delicaat evenwicht.”
Misverstand 5: Hoezo evenwicht? Er bestaat geen evenwicht. In Nederland kunnen kinderen gewoon besneden worden. Dat benoemen als een evenwicht is dan ook een retorische truc. We hebben in Nederland gelukkig een vrijheid van meningsuiting (behoudens ieders verantwoordelijkheid….) en dat betekent dat een discussie over dit punt – hoe delicaat het evenwicht volgens Van der Wieken ook is – niet verkeerd is.

Maar goed, Van der Wieken vond dat er veel urgentere problemen waren: abortus etc. Hij wilde de discussie in de richting van dit item buigen, maar hij moest geïrriteerd vaststellen dat ik daar niet in meeging. 
Misverstand 6: Het is m.i. een totaal andere discussie. Ook wilde hij veel andere urgente problemen aan bod stellen en gaf al meteen aan dat ik daar dus ook geen antwoord op wilde gaan geven. (En dat klopt. De truc is dan dat je meegaat met zo’n wending nog voordat je daar over hebt nagedacht. Bovendien had Van der Wieken inmiddels zoveel onjuistheden over dit onderwerp ‘besnijdenis’ verkondigd, dat we alleen al daarover nog wel een uur aan tafel hadden kunnen zitten.)
Van der Wieken bagatelliseerde het onderwerp door te verwijzen naar andere, urgentere problemen. Ik heb twee bezwaren met de verwijzing naar urgentere problemen. Het eerste bezwaar is dat je dit argument ook kan omdraaien: “Waar maakt Van der Wieken en de joodse gemeenschap in Duitsland zich druk om? Er zijn veel urgentere problemen (moord, verkrachting, mensenhandel etc.)” Het tweede bezwaar betreft de vraag wie bepaalt wat ‘urgent’ is. Is dat Van der Wieken? Op dit moment overlijdt 1 op 500.000 jongens en dat kun je niet noemenswaardig noemen. M.i. is dat 1 op de 500.000 te veel. Interessant is in dit verband de opmerking die Joep Hubben, hoogleraar gezondheidsrecht (RUG) januari 2012 maakte: “Niet alleen in Nederland, maar ook in medische wereld in de VS verschuift langzaam de heersende opvatting over de ingreep. Besnijdenis druist in tegen de ethiek om te snijden in gezond weefsel, zonder medisch doel. Bovendien blijkt de maatregel helemaal niet te leiden tot betere hygiëne. Sterker nog, de operatie is niet zonder risico. Uit onderzoek blijkt dat tussen de dertien en vijftien procent van de besneden mannen na de behandeling lichte tot ernstige complicaties krijgt.” De recentelijk ontstane discussie vindt hij terecht, hoewel hij overigens geen voorstander van een verbod is. 

Jongensbesnijdenis 2: Stein


In de Volkskrant verscheen naar aanleiding van mijn reactie op Steins artikel een ingezonden brief van Stein. Hieronder mijn reactie die ik naar de Volkskrant stuurde, maar die niet werd geplaatst.

Naar aanleiding van mijn stukje (opinie, 10 juli) verkondigt Yoram Stein (12 juli) allerlei onjuistheden. Zo schrijft hij dat “de Keulse rechter het immers wel prima vond dat een arts de voorhuid verwijdert”. Dat is volstrekt onjuist. De Duitse rechter spreekt van een ‘Verbotsirrtum’ van de arts. De medicus leefde volgens de rechter ten onrechte in de veronderstelling dat hij niets strafbaars had gedaan. Het was alleen niet verwijtbaar, omdat de arts in “subjektiv guten Gewissens” had gehandeld.  
Bovendien draait Stein de bewijslast om. Hij poneert dat de rechter zich door antireligieuze motieven laat leiden en eist van mij om het tegendeel te bewijzen. De bewijslast ligt echter bij hem.
Stein beweert dat er volgens mij er geen antireligieus klimaat heerst. Ik zeg letterlijk dat zijn bewering (dat er zo’n klimaat heerst) juist in dit verband niet klopt, omdat in Nederland de Hoge Raad vorig jaar een uitspraak heeft gedaan, die juist uiterst gunstig is voor religieuzen. Ik doe helemaal geen uitspraken over ‘Het Klimaat’.
Op zijn weblog maakt Stein het helemaal bont.  Daar schrijft dat “ 'fatsoenlijke mensen' als de heer Ritzen (…) de 'beschaafde' conclusie hebben getrokken dat alle religies even achterlijk zijn, en dat wij in onze samenlevingen in de eerste plaats maar eens flink ten strijde moesten trekken tegen het jodendom en het christendom, religies waar onze cultuur en moraal op gebouwd is, om zo te verzwijgen dat het eigenlijk allemaal om de moslims en de islam te doen is.” 
Op zijn weblog heb ik gereageerd op zijn commentaar. 

Jongensbesnijdenis 1: de gierende theoloog


Op zijn eigen blogspot reageerde ook nog een gepromoveerde theoloog, dr. Jan Riemersma op mijn stuk in de Volkskrant

Het probleem met de reactie van Riemersma is dat ik er eerlijk gezegd geen chocola van kan bakken. Het begon er al mee dat ik volgens de lachende theoloog een fervente voorstander van de mislukte onderwijsvernieuwingen ben. Wat dit met jongensbesnijdenis te maken heeft, is mij een volstrekt raadsel, maar het zal ongetwijfeld heel relevant zijn. (Ruim voor de oprichting van BON, in 1989, had ik al een stuk geschreven over het concept ‘leren leren’. Daarin concludeerde ik dat dit concept niet deugde. Dus waar hij zijn bewering vandaan haalde, is mij een volstrekt raadsel. We zullen het maar houden op goddelijke inspiratie.) Op het einde van zijn stukje promoveerde ik overigens van “voorstander van de onderwijsvernieuwing” naar  “…Ritzen, die dus zo’n kwalijke rol heft (sic) gespeeld bij de onderwijsvernieuwingen…”. 
Ik bleek volgens de theoloog mijn toevlucht te hebben gezocht in een ‘ideaal’. “Dat is een hebbelijkheid van Ritzen, die dol is op niet te verwezenlijken ‘idealen’ (gezien zijn standpunt inzake de schier onuitvoerbare en onwezenlijke onderwijsvernieuwingen.)” Commentaar lijkt me hier overbodig.

Ineens verscheen er een liberaal in het theater van de discussie. “Een liberaal zal met deze redenering, uit de aard der zaak, niet kunnen instemmen: het (Wat? De redenering? RR.) betekent immers dat de overheid, in opdracht van de rechter –de goede man toetst slechts de wet die door de overheid wordt opgesteld - zich mag bemoeien met zaken die zich achter de voordeur afspelen. De overheid wordt mede-opvoeder.”
Volgens Riemersma toetst de rechter in Nederland de wet. Ai, en ik maar denken dat we in Nederland een constitutioneel toetsingsverbod van wetten in formele zin hadden. Kennelijk is de afgelopen paar dagen de grondwet op dit punt gewijzigd.  Gelukkig hebben we in de alerte Riemersma een intellectueel die ons ook op dit terrein op de hoogte houdt. Ik ben weer helemaal bij (en blij). En hoe zit het met mishandeling die zich achter de voordeur afspeelt? 

Riemersma: “Zo lang wij niet weten wie de ‘autonome’ mens is en aan welke eisen zhij (sic) moet voldoen, is het debat over de besnijdenis nog niet gelopen.” Ah, en ik maar denken dat die discussie iets met grondrechten had te maken.
Daarna ging het nog over de NS en het eindpunt van de bestemming, over krantenstukjes die zo slecht geschreven zijn en – inderdaad: daar is-ie weer - mijn bedenkelijke rol in de onderwijsvernieuwing. Ik kon er eerlijk gezegd geen touw meer aan vastknopen. Inmiddels heeft Riemersma zijn eigen stukje zelf weggesjorst. Ik vermoed dat hij er na herlezing zelf ook geen touw meer aan kon vastknopen. Als dat inderdaad het geval is, dan is dat wederom een wijs oordeel van deze intellectuele alleskunnner.