Zwart en wit spreekrecht

Afgelopen week kregen witte mannen en een enkele witte vrouw er flink van langs (8 november 2015). Zij hebben zich in het racismedebat gemengd, maar op deze paternalistische bemoeienis zitten zwarte mensen absoluut niet te wachten. Omdat de laatsten op de ladder van ongelijkheid onderaan staan, staan zij bovenaan als het om het recht van spreken gaat. Witte mensen, zo stellen Nzume (actirce), El Malouhi (studente), Nourhussen (journalist) en Alsan (lerares) moeten luisteren.
Met een reeks fikse provocaties zetten deze vier vrouwen hun opvattingen op de kaart: witte mannen moet je breken; je kunt beter te maken hebben met diehard racisten dan met die linkse vijftigers, die antiracisme en anti-islamfobie als handelsmerk koesteren; witte personen zijn alleen echt tegen racisme als zij hun bevoorrechte positie delen met anderen. Deze zogenaamde anti-racisten willen hun privileges niet opgeven en daarom zijn zij geen echte anti-racisten: “je bent dan niet tegen racisme omdat je jouw positie wilt delen met anderen, maar om te laten zien dat je een goed mens bent”. Witte mensen moeten meer luisteren in plaats van het gesprek domineren. Ze hebben namelijk het minste recht van spreken, want zij zijn “er geen slachtoffer van”.

Snijdt deze kritiek hout? Ja en nee. Laat ik met eerst met ‘ja’ beginnen aan de hand van een voorbeeld op een ander terrein. Het prediken van gelijke kansen in het onderwijs is niet waarachtig als de prediker op een drafje naar de rechtbank rent als zoon- of dochterlief niet op het Barlaeus Gymnasium wordt aangenomen. De parallel met het opgeven van privileges is duidelijk: kosteloos anti-racisme prediken is ook in de letterlijke zin van het woord goedkoop. Ook het uitsluiten van slachtoffers van racisme van het debat over racisme ligt terecht onder vuur. Bovendien hebben slachtoffers inderdaad geen (witte) woordvoerders nodig, hoe goedbedoeld de intenties van Russell Brand of Sunny Bergman ook zijn.

Dan de ‘nee’. Heb je meer recht van spreken op grond van je eigen persoonlijke ervaring? De eigen ervaring is weliswaar belangrijk, maar het is geen noodzakelijke voorwaarde voor waarheid (als het om feiten gaat) of voor juistheid (als het om normen gaat). De eigen persoonlijke ervaring kan onder bepaalde omstandigheden zelfs het zicht op een ander perspectief belemmeren: wie Zwarte Piet van jongs af aan heeft ervaren als onderdeel van een vrolijk en spannend feest, kan zich (wellicht) moeilijk verplaatsen in de positie van iemand die hetzelfde feest racistisch vindt. Toch kun je niet zeggen dat de eigen ervaring (met een Nederlandse traditie) meer ‘recht van spreken’ impliceert (als het om het behouden van die traditie gaat).

Als in een dialoog op voorhand door zelfbenoemde opinieleiders wordt bepaald wie de agenda mag opstellen, wie het meeste recht van spreken heeft en hoe en op welke wijze gepraat mag worden over een onderwerp, dan liggen niet alleen allerlei vormen van paternalisme, maar ook de bizarre uitwassen daarvan op de loer.
De geschiedenis laat een aantal schrijnende voorbeelden zien. Zo werd ‘verkrachting’ in de V.S. eind vorige eeuw in sommige feministische kringen zo opgerekt dat zelfs staren al onder de noemer ‘verkrachting’ viel. Soms ging het verder: elke vorm van intieme gemeenschap was verkrachting, zelfs als alles met instemming van alle partners had plaatsgevonden en er ook in een later stadium geen bedenkingen waren. Of een (mannelijke) verdachte zich echt schuldig had gemaakt aan verkrachting was bovendien van ondergeschikt belang, omdat hij in potentie schuldig kon zijn. Van een valse beschuldiging moest de getroffen student dan maar een leerervaring maken, aldus een (vrouwelijke) rector van een Amerikaanse universiteit (waar dit voorval zich voordeed). 


Wie in het debat over het racisme eerst probeert vast te leggen wie het meeste spreekrecht heeft en hoe en waarover gesproken mag worden, loopt de kans over een aantal jaren terug te kijken naar een debat dat voornamelijk gekenmerkt werd door uitsluiting van andersdenkenden. Is dat gevaar nu al reëel? Ja, want ook dit betoog kan ongelezen terzijde worden geschoven. Het is in feite niets anders dan een uiting van ‘male fragility’. Het Grote Gelijk staat bij voorbaat vast.

9/11 & complottheorie

Complottheorieën tieren welig op internet, maar niet eerder hadden ze in Nederland zo'n officieel podium als onlangs op de universiteit Delft. Daar mocht architect Richard Gage in een studium generale uitleggen waarom de WTC-torens in New York op 9/11 niet zozeer werden vernietigd door de vliegtuigen, maar door explosieven. Het Amerikaanse volk wordt doelbewust misleid, luidt zijn boodschap. 
Wat is er mis met het complotdenken? Veel. Voor zover de complotdenkers zich niet op een geheime bron beroepen, is de kern van hun argumentatie vaak identiek, namelijk dat de officiële verklaringen niet alle vragen kunnen beantwoorden. Er zijn losse eindjes en juist die eindjes vormen het bewijs dat de complottheorie wel klopt. Dat is dan de eerste hoofdzonde, die haaks staat op een kritische houding: gaten in het betoog van een ander vormen het bewijs van het eigen gelijk. Ook Gage hanteert die strategie.
Over de gaten in zijn eigen verklaring, hoor je Gage niet. Die gaten zijn gigantisch. Zo moet er een enorme hoeveelheid explosieven zijn aangebracht die op exact hetzelfde moment tot ontploffing worden gebracht. Dat installeren is niemand opgevallen. En niemand heeft hierover het afgelopen decennia gelekt. Gage houdt een  'confirmation'-show, met alleen argumenten en bewijzen gericht op zijn eigen gelijk. Dat is de tweede hoofdzonde: presenteer je opvatting eenzijdig en negeer elk tegenbewijs.
Er is in de ogen van complotdenkers altijd een geheime kracht aanwezig die simpele zielen als u en ons ontgaan. Ook Gage heeft geen bewijs, maar hij leidt dat af uit zijn eenzijdig betoog. De derde hoofdzonde: introduceer onweerlegbare beweringen, die alleen met een magisch oog te zien zijn.
Tegenbewijs – de vierde hoofdzonde - vormt steevast een bevestiging van het eigen gelijk. Dat zagen we bij het dodelijke ongeluk van Lady Diana. Volgens sommigen was zij niet overleden aan een fataal ongeluk, maar doelbewust vermoord. Ze zou namelijk zwanger zijn van een Egyptische moslim. Toen artsen hadden vastgesteld dat ze niet zwanger was, zagen de complotaanhangers dit als het bewijs dat zelfs de artsen in het complot zaten.
De officiële '9/11'-onderzoekscommissies leverden niet het gelijk van Gage op en dat is dan voor hem meteen het bewijs dat hun onderzoek niet deugt. Gage: ze kregen de opdracht "not to tell the truth".
De vijfde hoofdzonde – het opvoeren van autoriteiten die geen experts zijn – zien we eveneens terug bij Gage. Hij voert David Ray Griffin op als een expert, die al tientallen boeken over de leugen van 9/11 heeft geschreven. Griffin mag dan wel een erudiete hoogleraar zijn, maar hij is een theoloog. En als er wel sprake is van een kritische inhoudsdeskundige, dan zet Gage daar een andere (lees: zijn) inhoudsdeskundige tegenover. De conclusie is dan niet dat Gage gelijk heeft, maar enkel dat er meerdere opvattingen bestaan, die elkaar uitsluiten.
De directeur van Studium Generale Delft zegt dat het zijn opdracht is om grensoverschrijdend te programmeren en dat een spreker als Gage juist goed past bij de Delftse studenten. Maar wat past dan goed bij die studenten?  Onzorgvuldig, slecht en eenzijdig argumenteren? Hypothesen 'bewijzen' door te wijzen op gaten in het betoog van een tegenstander? Een theoloog als expert opvoeren? De meeste studenten zagen wel wat in het betoog van Gage. Dan is er een kritische grens overschreden.

Hoewel amusant, is dit denken helemaal niet zo onschuldig.  Complotdenken geeft ruimte om zondebokken aan te wijzen. Bij bijna alle complotbedenksels zijn er lieden die meteen naar Israel wijzen. Van Lady Diana en  9/11 tot zelfs Pearl Harbor;  je kunt het zo gek niet bedenken of er zit een joods complot in. Gage zelf doet hier niet aan mee, maar zijn manier van denken maakt de weg vrij voor dit soort onzinnige verbanden. Daarom heeft Gage niets te zoeken op het universitaire podium: het is een aanslag op het kritisch denken.

Jack Claessen & het softe onderwijs (11-1-2015)

Met ‘het onderwijs is te soft’, zocht en vond Jack Claessen, docent aan Sittardse Pabo de publiciteit (zie o.m. AD, 6 jan. 2015). Met uitsmijters als 'je zou een derde van de juffen moeten ontslaan'; ‘studenten herkansen eindeloos tentamens’ en ‘slecht functionerende leerkrachten wordt de hand boven het hoofd gehouden’ en ‘als mensen écht niet goed werken, moeten ze vertrekken’, deed hij er nog een schepje bovenop.
Wie is Claessen? Een rots in de branding, zo blijkt uit het interview van Mark van der Werf: “Ik weet nog dat ik les gaf op een vmbo-school en tijdens een oudergesprek werd aangevlogen door een vader. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om te beweren dat deze opleiding te hoog was gegrepen voor zijn zoon! Nadat ik op alle mogelijke manieren voor rotte vis was uitgemaakt, vond ik het welletjes. Ik heb die man bij zijn nekvel gepakt en de deur uitgegooid. ‘Opgesodemieterd,’ zei ik. Verstandig? Misschien niet. Professioneel? Mwah. Maar op dat moment móest ik laten zien: dit pik ik niet.”
Kijk, klare taal van een hard-liner.

Terug naar de zaak. Wat deugt er allemaal niet aan het onderwijs? Leerkrachten hebben een niet al te best imago, maar dat is deels hun eigen schuld, weet Claessen. Eerste bewijs is een anekdote: “Ze laten te vaak over zich heen lopen door mondige ouders. Een studente van onze pabo vertelde dat haar de les was gelezen door een moeder die het lokaal was binnengestormd. Of die vrouw nou terecht boos was of niet; zo ver had dat meisje het natuurlijk niet mogen laten komen. ‘Ik maak graag een afspraak met u’ - dát had ze moeten zeggen. Het onderwijs is soms te soft; het mag er best strenger en doortastender aan toegaan.”  (Kennelijk leren ze dat niet op de Pabo waar docenten als Claessen lesgeven.)

Claessen: “Eigenlijk zou je een derde van de juffen en meesters moeten kunnen ontslaan. Om eens even lucht te maken op een school. Niet zomaar, huppekee. Maar als mensen - jong én oud - écht niet goed werken, moeten ze vertrekken.” Tweede bewijs: drie voorvallen, al dan niet fictief. Kortom, het bewijs is weer anekdotisch van aard.

Claessen: “Vooral bij grote organisaties, met soms meer dan zeshonderd leerlingen, wordt daar door de drukte van alledag vaak niet goed naar gekeken.” Derde bewijs: inderdaad, weer een anekdote: “Toen ik aan mijn allereerste directeur na een halfjaar vroeg of hij eens in mijn klas kwam, reageerde hij geschrokken. ‘Maar ik zal vast van alles fout doen, ik ben nieuw hier,’ zei ik tegen hem. ‘Ik heb niks gehoord van ouders, niks van collega's; het zal wel goed zijn,’ antwoordde hij. Natuurlijk is er intussen veel veranderd, maar toch...”

Claessen: “Ook de pabo's, de lerarenopleidingen, mogen zakelijker worden. Er wordt daar eindeloos gereflecteerd - vooral door vrouwelijke docenten. Zij blijven soms maar praten en peuteren. Maar met een student die stage loopt op een basisschool, hoef je niet altijd 1,5 uur thee te drinken. Af en toe moet je kortweg zeggen: ‘Toen jouw leerlingen in de lamellen hingen, ging het echt mis. Dit was gewoon een waardeloze les’. Begrijp me niet verkeerd: alle pabo's doen hun best om goede leerkrachten af te leveren. En vaak lukt dat ook.” Vaak lukt het om goede leerkrachten af te leveren, maar waarom moet dat een derde van het personeelbestand eruit.  Het bewijs komt erop neer dat Claessen dat zegt.

Claussen: “De afgelopen jaren is er veel verbeterd, zoals het reken- en taalonderwijs. Op mijn eigen pabo krijgen studenten bewust mínder theorie.” Kennelijk is het een pre als studenten minder theorie krijgen (over taalverwerving of ver de wijze waarop kinderen leren rekenen?). In het interview wordt duidelijk dat het hem stoort dat studenten minder kennis bijgebracht krijgen. Dus minder theorie en meer kennis is het devies. Kennis uit internet deugt niet, want “Joh, als je niet oppast kom je daar de grootste flauwekul tegen, die zonder nadenken wordt geaccepteerd”. Die flauwekul kun je pareren met echte feitenkennis, maar de toevoeging ‘zonder nadenken accepteren’ maakt het hele argument weer dubieus. Het vereist namelijk theoretische (fout) reflectie (fout) op kennis.

Bijna dertig jaar geleden werden er in de Eerste Kamer vragen gesteld over de kwaliteit van de pas opgeleide leerkrachten en de opleiding. Het opvallende is dat de argumentatie steeds dezelfde is: op basis van anekdotisch bewijs claimen de critici dat het onderwijs niet deugt. Tegelijkertijd maken ze gebruik van een autoriteitsargument: zij claimen dat ze niet alleen de kwaliteit van het gehele onderwijs overzien, maar ook van alle lerarenopleidingen (nu en in het verleden) en van de gang van zaken in het management van de hele sector. Het bewijs is helder: de critici kunnen die sector overzien, omdat zij dat zelf zeggen.

Cosby, Johnson & de ruis van Duurvoort (10.1.2015)


Eton, Windsor

Verkrachting is een van de moeilijkst bewijsbare delicten, aldus Harriët Duurvoort (Vk, 8.12.2014). “Het is onverkwikkelijk. Een man voor wie het als invloedrijk entertainer geen enkel probleem is om waar dan ook aan seks te komen, die vrouwen drogeert en misbruikt. Wat moet je dan een perverse vrouwenhater zijn.

 Bill Cosby was een rolmodel voor iedere ouder. Maar hij haalde vooral het stereotype beeld van de hyperseksuele zwarte man onderuit. Als er iemand seksloos was, dan was het wel de oerdegelijke, in kleurige truien gehulde, guitige brave huisvader.” Duurvoort wijst erop dat

 zangeres Jill Scott en actrice Whoopi Goldberg het “waagden” het voor Cosby op te nemen.

 Bovendien, waarom hadden die slachtoffers allemaal zo lang gewacht? “En ja, een beroemd man is altijd chantabel. Een roddelshow betaalt je ervoor als je in een ‘exclusief’ interview vertelt dat je door een ster misbruikt bent. Trok hij doortrapte ‘slachtoffers’ aan die een slaatje uit hem wilden slaan?”
Terecht vraagt Duurvoort dan ook:
 “Whatever happened to innocent until proven guilty?” Verkrachting is een van de moeilijkst bewijsbare delicten, maar je kan iemands leven verwoesten door hem te beschuldigen van verkrachting, of het nu ooit bewezen wordt of niet.
 Over de vrouwen die Cosby beschuldigen, weet Duurvoort te vertellen dat het veelal meisjes waren die het in de showbiz wilden maken. Er zitten veel zwakke verklaringen bij. Beïnvloedbare, vaak jonge meisjes die na soms dubieus misbruik - 'ik denk dat Cosby mij verkracht heeft' - nog decennia contact hielden, inclusief vrijwillig seksueel contact, en geld accepteerden.

Het antwoord op de vraag
 “Whatever happened to innocent until proven guilty?” gaf Duurvoort twee weken later: “Ik heb iets recht te zetten. Mijn laatste column ging over Bill Cosby, en het feit dat ik de aantijgingen die er toen lagen deels weinig overtuigend vond. Na de verklaring van het zwarte fotomodel Beverly Johnson ben ik 'om'. Johnson vertelde dat Cosby haar een cappucino had aangeboden, en dat ze daarna gedrogeerd bleek. Een spijkerhard verhaal. In mijn vorige stuk maakte ik een vergelijking met Woody Allen; maar het geval van Cosby gaat verder dan 'beroemdheid wordt beschuldigd van verkrachting'. Want er is ook een ongemakkelijke raciale laag. Ik geef het schoorvoetend toe en ben er niet trots op. Het speelde mee, zeker bij de vagere aantijgingen, dat het voornamelijk blanke vrouwen waren die Cosby tot die tijd beschuldigden. Dus dacht ik, zeker gezien de historische context: ruis. Ik wantrouwde hen.”

In eerste instantie was het een kwestie tussen ‘blank’ en ‘zwart’ (Duurvoorts’ term, want ik mag die kwalificatie niet gebruiken): zij koos voor ‘zwart’, onder meer op grond van de onschuldpresumptie. In tweede instantie reframed zij het dilemma: het was een kwestie tussen ‘man’ en ‘vrouw’. Nu kiest zij voor ‘vrouw’. De onschuldpresumptie speelt geen rol meer. Argumenten als ‘het waren veelal meisjes waren die het in de showbiz wilden maken’, horen we nu niet meer. Integendeel, Johnson had een spijkerhard verhaal. Spijkerhard? Na een stormachtige entrée als model in 1974, lukte het niet echt in filmwereld. Na een vijftal zeer bescheiden rolletjes in de periode ’75-’80 was er 10 jaar lang windstilte. De Cosby show startte in 1984. In de jaren tachtig deed Johnson auditie bij Cosby. Kortom, haar eerdere argument (‘meisje - in dit geval een fotomodel achter in de dertig – wilde het maken in de filmwereld’) geldt met evenveel gemak voor Johnson.
Tijdens die auditie nipte Johnson aan haar cappuccino (die ze eigenlijk niet wilde) en voelde meteen dat de kamer ging draaien.  Na haar tweede nipje wist ze het zeker: Cosby had drugs in haar cappucino gedaan. Overigens kon ze niet met zekerheid zeggen of Cosby haar verkracht had: ze had er geen herinnering aan. Ze kon zich wel herinneren dat Cosby haar na het nippen haar bij de dijen vastpakte; dat ze haar arm op zijn schouder had om niet om te vallen; dat ze Cosby een aantal keren had uitgescholden; dat ze hard naar buiten was gewerkt door Cosby en dat ze met een taxi naar huis was gebracht. Anders dan de verhalen van de witte meisjes, is dit volgens Duurvoort een spijkerhard verhaal.


Of al die verhalen waar of onwaar zijn, is niet het onderwerp van deze blog, maar wel is het duidelijk dat Duurvoort niet consistent is in haar argumentatie. Als het gaat om zwart vs. wit opteert ze voor zwart; als het gaat om de tegenstelling zwarte vrouw vs. zwarte man opteert ze voor zwarte vrouw op basis van dezelfde argumentatie. En dat is inconsistent. Duurvoort zelf ziet dat anders en komt op de proppen met ruis. Maar over wiens ruis hebben we het eigenlijk?