Jack Claessen & het softe onderwijs (11-1-2015)

Met ‘het onderwijs is te soft’, zocht en vond Jack Claessen, docent aan Sittardse Pabo de publiciteit (zie o.m. AD, 6 jan. 2015). Met uitsmijters als 'je zou een derde van de juffen moeten ontslaan'; ‘studenten herkansen eindeloos tentamens’ en ‘slecht functionerende leerkrachten wordt de hand boven het hoofd gehouden’ en ‘als mensen écht niet goed werken, moeten ze vertrekken’, deed hij er nog een schepje bovenop.
Wie is Claessen? Een rots in de branding, zo blijkt uit het interview van Mark van der Werf: “Ik weet nog dat ik les gaf op een vmbo-school en tijdens een oudergesprek werd aangevlogen door een vader. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om te beweren dat deze opleiding te hoog was gegrepen voor zijn zoon! Nadat ik op alle mogelijke manieren voor rotte vis was uitgemaakt, vond ik het welletjes. Ik heb die man bij zijn nekvel gepakt en de deur uitgegooid. ‘Opgesodemieterd,’ zei ik. Verstandig? Misschien niet. Professioneel? Mwah. Maar op dat moment móest ik laten zien: dit pik ik niet.”
Kijk, klare taal van een hard-liner.

Terug naar de zaak. Wat deugt er allemaal niet aan het onderwijs? Leerkrachten hebben een niet al te best imago, maar dat is deels hun eigen schuld, weet Claessen. Eerste bewijs is een anekdote: “Ze laten te vaak over zich heen lopen door mondige ouders. Een studente van onze pabo vertelde dat haar de les was gelezen door een moeder die het lokaal was binnengestormd. Of die vrouw nou terecht boos was of niet; zo ver had dat meisje het natuurlijk niet mogen laten komen. ‘Ik maak graag een afspraak met u’ - dát had ze moeten zeggen. Het onderwijs is soms te soft; het mag er best strenger en doortastender aan toegaan.”  (Kennelijk leren ze dat niet op de Pabo waar docenten als Claessen lesgeven.)

Claessen: “Eigenlijk zou je een derde van de juffen en meesters moeten kunnen ontslaan. Om eens even lucht te maken op een school. Niet zomaar, huppekee. Maar als mensen - jong én oud - écht niet goed werken, moeten ze vertrekken.” Tweede bewijs: drie voorvallen, al dan niet fictief. Kortom, het bewijs is weer anekdotisch van aard.

Claessen: “Vooral bij grote organisaties, met soms meer dan zeshonderd leerlingen, wordt daar door de drukte van alledag vaak niet goed naar gekeken.” Derde bewijs: inderdaad, weer een anekdote: “Toen ik aan mijn allereerste directeur na een halfjaar vroeg of hij eens in mijn klas kwam, reageerde hij geschrokken. ‘Maar ik zal vast van alles fout doen, ik ben nieuw hier,’ zei ik tegen hem. ‘Ik heb niks gehoord van ouders, niks van collega's; het zal wel goed zijn,’ antwoordde hij. Natuurlijk is er intussen veel veranderd, maar toch...”

Claessen: “Ook de pabo's, de lerarenopleidingen, mogen zakelijker worden. Er wordt daar eindeloos gereflecteerd - vooral door vrouwelijke docenten. Zij blijven soms maar praten en peuteren. Maar met een student die stage loopt op een basisschool, hoef je niet altijd 1,5 uur thee te drinken. Af en toe moet je kortweg zeggen: ‘Toen jouw leerlingen in de lamellen hingen, ging het echt mis. Dit was gewoon een waardeloze les’. Begrijp me niet verkeerd: alle pabo's doen hun best om goede leerkrachten af te leveren. En vaak lukt dat ook.” Vaak lukt het om goede leerkrachten af te leveren, maar waarom moet dat een derde van het personeelbestand eruit.  Het bewijs komt erop neer dat Claessen dat zegt.

Claussen: “De afgelopen jaren is er veel verbeterd, zoals het reken- en taalonderwijs. Op mijn eigen pabo krijgen studenten bewust mínder theorie.” Kennelijk is het een pre als studenten minder theorie krijgen (over taalverwerving of ver de wijze waarop kinderen leren rekenen?). In het interview wordt duidelijk dat het hem stoort dat studenten minder kennis bijgebracht krijgen. Dus minder theorie en meer kennis is het devies. Kennis uit internet deugt niet, want “Joh, als je niet oppast kom je daar de grootste flauwekul tegen, die zonder nadenken wordt geaccepteerd”. Die flauwekul kun je pareren met echte feitenkennis, maar de toevoeging ‘zonder nadenken accepteren’ maakt het hele argument weer dubieus. Het vereist namelijk theoretische (fout) reflectie (fout) op kennis.

Bijna dertig jaar geleden werden er in de Eerste Kamer vragen gesteld over de kwaliteit van de pas opgeleide leerkrachten en de opleiding. Het opvallende is dat de argumentatie steeds dezelfde is: op basis van anekdotisch bewijs claimen de critici dat het onderwijs niet deugt. Tegelijkertijd maken ze gebruik van een autoriteitsargument: zij claimen dat ze niet alleen de kwaliteit van het gehele onderwijs overzien, maar ook van alle lerarenopleidingen (nu en in het verleden) en van de gang van zaken in het management van de hele sector. Het bewijs is helder: de critici kunnen die sector overzien, omdat zij dat zelf zeggen.